Open normen in het huurrecht
Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/1.5:1.5 De werking van open normen in het huurrecht
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/1.5
1.5 De werking van open normen in het huurrecht
Documentgegevens:
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS501099:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek gaat over de ruimte die enkele open normen op het terrein van het huurrecht bieden en de rechtsonzekerheid die zij veroorzaken. Daarbij gaat het om de open normen die van toepassing zijn op het huurrecht, niet alleen om die welke slechts op dit terrein werking hebben c.q. daarin hun ontstaansrecht hebben. In de rechtspraktijk zijn immers niet alleen de voor het huurrecht specifieke open normen aan de orde en dus niet alleen bepalend voor de vraag wat het effect van open normen voor dit terrein is. Omdat specifiek voor het huurrecht de werking van open normen niet eerder is onderzocht, is dit onderzoek allereerst gericht op het aanvullen van een kennislacune. Daarnaast is het doel van dit onderzoek om wat meer duiding te geven aan de gekozen open normen en hun werking binnen het huurrecht. Dat wordt onder meer gedaan door in het algemeen na te gaan wat de bedoeling van de wetgever is bij het codificeren van open normen. Diverse factoren zijn bepalend voor de vraag of de wetgever open normen zal willen bevorderen of beperken. Dat zijn allereerst politieke factoren, bijvoorbeeld het bewerkstelligen dat de rechter op basis van open normering de ruimte kan geven aan specifieke bijzondere omstandigheden of dat door beperking van open normering aan bepaalde beoogde doelgroepen meer zekerheid kan worden geboden. Op deze politieke overwegingen wordt in het kader van deze studie niet nader ingegaan. De aan de triasleer verbonden overwegingen, in het bijzonder die van de competentieverdeling tussen wetgever en rechter, worden bondig benoemd, maar een meer diepgaande beschouwing valt buiten het bestek van dit onderzoek. Daarnaast wordt in hoofdstuk 2 nader ingegaan op twee belangrijke factoren die de keuze van de wetgever voor uitbreiding dan wel beperking van open normen bepalen, namelijk het bevorderen van deregulering (paragraaf 2.3.2) en het stimuleren van communicatieve wetgeving (paragraaf 2.3.3).
De spanning tussen ruimte en rechts(on)zekerheid zal zich het sterkst doen voelen op praktijkvelden waar niet alleen behoefte is aan flexibiliteit van het recht (die door de ruimte geboden wordt), maar waar mede door de machtsongelijkheid van partijen behoefte bestaat om aan de zwakkere partij de nodige bescherming te bieden. De praktijk van het huurrecht kent (evenals bijvoorbeeld het arbeidsrecht en consumentenrecht) een dergelijke bescherming aan de zwakkere partij, te weten de huurder. De combinatie tussen het uitgangspunt dat huurders (met name wanneer dit particulieren en kleine ondernemers zijn) bescherming behoeven en de ruimte die rechters (in de ogen van de partijen) wordt gegund door toepassing van open normen, leidt in de dagelijkse rechtspraktijk tot geluiden van onzekerheid. Het is interessant om te bezien of die spanning met rechtszekerheid gegrond is.