Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/5.2
5.2 Verplichting schuldenaar tot mededeling dat en waarom hij opschort
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950364:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 208. Zie ook concl. A-G E.B. Rank-Berenschot 18 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1077, par. 2.9 en Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/48 en 89. Zie ook § 7.3 over de niet-ambtshalve toepassing van het algemene opschortingsrecht. Zie anders Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/530 en 553, die verdedigt dat door uitoefening van de opschortingsbevoegdheid het opschortingsrecht ontstaat. Dat lijkt ook de visie van Kruissen 2008, p. 39 te zijn.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/21; Spierings,2016, p. 31 en Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/530 en 553, voetnoot 9.
Zie Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/75. De uitoefening van een opschortingsrecht is voorts een rechtsfeit, omdat het kan leiden tot schuldeisersverzuim en een plicht voor de schuldenaar tot vergoeding van genoten voordeel. Zie § 2.7.1.
Aldus ook Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/553, voetnoot 9. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 27 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3270, r.o. 3.2.4en 3.10 (“Het hof kan noch op grond van deze correspondentie, als die [geïntimeerde] heeft bereikt, (…) vaststellen dat, en zo ja welke gebreken de woning kent die (…) door [geïntimeerde] moeten worden hersteld. Dit brengt mee dat het beroep op opschorting een deugdelijke grond mist en daarom moet worden verworpen.” (cursivering GJB)).
Zie anders Vermeij 2022, p. 782 en Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/21.
Vgl. Stolp 2011, p. 153, en Van Schaick 2009, p. 130, de beiden signaleren dat in de wettelijke opschortingsregelingen geen mededelingsplicht is geregeld.
Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/33 en Valk 2022c/27.
Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/21 en 74. Zie voorts concl. A-G D.W.F. Verkade 10 augustus 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW8297, par. 3.4 en 3.10. Zie bijv. Rb. Noord-Holland 16 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:2530, r.o. 5.3.
Zie Hijma 2012, par. 4 (“In het leeuwendeel van de gevallen zal het voor de wederpartij – die zelf niet correct presteert en aldus de opschortingsbevoegdheid in het leven roept – ook zonder aanmelding wel duidelijk (moeten) zijn dat de ander opschort en waarom hij dat doet. Het verlangen van een mededeling is dan ongerijmd. Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 995.”).
Zie bijv. Hof Den Haag 31 januari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:123, r.o. 6.42; Rb. Zeeland-West-Brabant 23 augustus 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5922, r.o. 3.18 en Rb. Midden-Nederland 19 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:94, r.o. 3.4. Deze mededeling behoeft geen ingebrekestelling te zijn (zie § 3.4.5), maar zal dat in de praktijk mogelijk ook zijn, zodat de schuldenaar – na het verstrijken van een eventueel daarin gestelde termijn (zie art. 6:82 BW) – tevens aanspraak kan maken op schadevergoeding of, in geval van een overeenkomst, kan ontbinden, voor zover die daartoe niet reeds bevoegd was omdat het verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden (art. 6:83 BW). Vgl. anders Janssen 2005, p. 363-364, en Janssen 2003, p. 37 en 39, die bepleit dat aan de enac een ingebrekestelling vooraf dient te gaan.
Vgl. HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6997, NJ 2011/257 (Elbrink/Halfman), r.o. 3.6.1. Vgl. voorts HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2410, NJ 2010/258, m.nt. Jac. Hijma (Gomes/Westminster Rental), r.o. 3.8. en HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4850, NJ 2008/605, m.nt. Jac Hijma (Amsing/Dijkstra), r.o. 3.6.
Zie § 2.4, § 3.7 en § 7.2.2. Vgl. MüKoBGB/Krüger 2022 BGB § 274 Rn. 5 (“Daher reicht es nicht, wenn er die Leistung schlicht verweigert; erkennbar muss sein, dass die Leistungsverweigerung mit einem konkreten Gegenanspruch begründet wird.”). Zie ook § 6.3.6 over de vraag in hoeverre de uitoefening van het opschortingsrecht in strijd met de redelijkheid en billijkheid is als de schuldenaar niet duidelijk maakt wat hij met die uitoefening wenst te bewerkstelligen.
Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205. Zie voorts § 5.3 en § 5.4.
Vgl. HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6997, NJ 2011/257 (Elbrink/Halfman), r.o. 3.6.1; HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2410, NJ 2010/258, m.nt. Jac. Hijma (Gomes/Westminster Rental), r.o. 3.8 en HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4850, NJ 2008/605, m.nt. Jac Hijma (Amsing/Dijkstra), r.o. 3.6. Zie hoofdstuk 3 over de vereisten voor opschortingsbevoegdheid.
Zie § 2.7.2 over de rechtsgevolgen van een achteraf geheel of gedeeltelijk ongegrond gebleken beroep op opschorting.
Als aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan, is de schuldenaar opschortingsbevoegd en heeft hij op grond van artikel 6:52 lid 1 BW een opschortingsrecht. Met het hebben van een opschortingsrecht treden de rechtsgevolgen daarvan nog niet in. Daarvoor is nodig dat de schuldenaar het opschortingsrecht uitoefent.1 De uitoefening van het algemene opschortingsrecht is een eenzijdige, gerichte rechtshandeling.2 Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW). Met de uitoefening van het algemene opschortingsrecht wil de schuldenaar de opeisbaarheid aan zijn verbintenis ontnemen.3 Om dit rechtsgevolg van het uitstellen van de nakoming op grond van het algemene opschortingsrecht te doen intreden moet de in artikel 3:33 BW bedoelde verklaring de wederpartij hebben bereikt (art. 3:37 lid 3 BW).4 Op grond hiervan is de schuldenaar verplicht zijn wederpartij mede te delen dat hij de nakoming van zijn verbintenis opschort en zal die mededeling de wederpartij moeten hebben bereikt.5
Een opschortingsmededeling behoeft niet te zijn opgenomen in een uitdrukkelijke verklaring. De in artikel 3:33 BW bedoelde verklaring, waaronder begrepen een mededeling, kan in het geval van de uitoefening van het algemene opschortingsrecht in iedere vorm geschieden en kan in een gedraging of meerdere gedragingen besloten liggen, omdat de wet geen nadere eisen aan deze kennisgeving stelt (art. 3:37 lid 1 BW).6 Een gedraging kan ook een nalaten zijn.7 Als de wederpartij bekend is met haar niet-nakoming, waarvan zij geacht wordt te weten dat die tot een opschortingsbevoegdheid van haar schuldenaar kan leiden, kan het al voldoende zijn dat die schuldenaar in dat geval zijn opeisbare verbintenis niet nakomt.8 In de bij de wederpartij bekende gedraging van het niet-nakomen door de schuldenaar ligt dan de opschortingsverklaring besloten. De wederpartij behoort dan te begrijpen dat haar schuldenaar de nakoming van haar verbintenis heeft opgeschort. Een uitdrukkelijke opschortingsverklaring is dan niet meer vereist.9 De keerzijde hiervan is dat de schuldenaar onder omstandigheden gehouden kan zijn de wederpartij meer expliciet mede te delen dat hij de nakoming van zijn verbintenis opschort, bijvoorbeeld in het geval waarin hij weet dat zijn wederpartij niet bekend is met zijn vordering.10
In de mededeling van de schuldenaar dat hij op grond van artikel 6:52 BW de nakoming van zijn verbintenis opschort, ligt besloten dat hij de nakoming van zijn verbintenis uitstelt in verband met een vordering die hij stelt te hebben op zijn wederpartij en dat hij meent dat tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen. De wederpartij kan daarom begrijpen waarom de schuldenaar nakoming uitstelt. Voor de wederpartij die bekend is met haar niet-nakoming kan het tevens duidelijk zijn in verband met welke verbintenis van de wederpartij de schuldenaar zijn nakoming opschort. In zijn algemeenheid kan denk ik niet de eis worden gesteld dat de opschortingsverklaring de gronden van de opschorting dient te vermelden om rechtsgevolg te kunnen hebben.11 Niettemin zal de schuldenaar de door hem gepretendeerde vordering in voorkomend geval moeten kunnen toelichten, omdat het opschortingsrecht zijn grondslag vindt in de vordering die de schuldenaar op zijn wederpartij stelt te hebben en waarvan hij de stelplicht heeft en de bewijslast draagt.12 Tevens stelt hij zijn wederpartij daarmee in staat de gegrondheid van zijn vordering te onderzoeken.13 Voorts zal de schuldenaar deze vordering op zijn wederpartij, die hem de bevoegdheid geeft de nakoming van zijn verbintenis op te schorten, reeds ten tijde van zijn opschortingsverklaring moeten hebben. Evenwel kan de schuldenaar ook eventuele vorderingen op zijn wederpartij die hij niet aan zijn opschorting ten grondslag had gelegd, al dan niet omdat zij pas nadien aan het licht gekomen zijn, maar die ten tijde van de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid wel bestonden, daaraan ten grondslag leggen, mits hij – indien van toepassing – in verband met die vorderingen tijdig heeft geklaagd en is voldaan aan de overige vereisten van het algemene opschortingsrecht, waaronder het samenhangcriterium.14 Als de gepretendeerde vordering of een ander vereiste voor opschortingsbevoegdheid niet komt vast te staan, heeft de schuldenaar ten onrechte een opschortingsverklaring uitgebracht.15