Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.6.4.7:5.6.4.7 De problematiek van wederkerigheid
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.6.4.7
5.6.4.7 De problematiek van wederkerigheid
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS496346:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgaande werd er steeds vanuit gegaan dat slechts één partij een prestatie diende te verrichten. Een dergelijke betaling betreft vaak een nietige of vernietigde schenking, of is het gevolg van een vergissing. Wij zagen dat een verplichting tot terugbetaling de ontvanger niet in een nadeligere positie brengt dan waarin hij zonder de ontvangst van de onverschuldigde betaling zou hebben verkeerd. Dat is – in een geval waarin slechts een partij een prestatie heeft verricht – anders als de verrijking (die het gevolg is van de prestatie) is verminderd. Dan brengt een verplichting tot terugbetaling van de prestatie de ontvanger wel in een nadeligere positie. De ontvanger kan dan een beroep doen op het verweer dat zijn verrijking is verminderd. Het verweer voorkomt dat de ontvanger geld moet reserveren voor onverwachte vorderingen uit onverschuldigde betaling die hem in een nadeligere positie zouden brengen.
Deze ratio geldt echter niet onverkort als beide partijen bereid zijn geweest om een prestatie te verrichten. Als de ontvanger van de prestatie – die heeft geleid tot een verrijking die is verminderd – zondermeer een beroep kan doen op het verweer, zou het nadeel geheel worden gedragen door de partij die deze prestatie heeft verricht. Daartegen pleit dat de ontvanger om de tegenprestatie te verkrijgen bereid was om een tegenprestatie te verrichten. Deze tegenprestatie vormt een offer, dat wil zeggen een zeker nadeel dat de ontvanger bereid was te dragen. Daarbij heeft de ontvanger het risico aanvaard dat de prestatie die hij zou verkrijgen na de verkrijging in waarde zou verminderen.
Een voorbeeld maakt de problematiek duidelijk. Stel dat twee partijen een koopovereenkomst sluiten ter zake van een auto. De verkoper levert de auto en de koper betaalt de koopprijs. De koper gebruikt de auto intensief, waardoor de auto sterk in waarde vermindert. Hij ontdekt vervolgens een eigenschap in de auto die hij op grond van uitlatingen van de verkoper niet hoefde te verwachten (aan de auto kan geen trekhaak worden bevestigd). De koper vernietigt de overeenkomst, zodat hij recht heeft op terugbetaling van de koopprijs en de verkoper op teruggave van de verkochte auto. De koper moet de auto teruggeven in de staat waarin hij haar heeft ontvangen. Deze verplichting kan hij niet nakomen. Nietnakoming leidt in beginsel tot schadeplichtigheid (artikel 6:74), tenzij de niet-nakoming niet aan de schuldenaar (de koper) kan worden toegerekend (artikel 6:75). De niet-nakoming is veroorzaakt doordat de koper de auto intensief heeft gebruikt in een periode waarin hij geen rekening hoefde te houden met een verplichting tot teruggave. De koper schiet daarom volgens artikel 6:204 in verbinding met artikel 6:74 en artikel 6:75 niet toerekenbaar tekort, zodat hij geen schadevergoeding hoeft te betalen. Heeft hij dan wel recht op terugbetaling van de volledige koopprijs? Als hij daar recht op zou hebben, zou het risico van vermindering van de verrijking geheel op de verkoper komen te liggen. Daartegen pleit in dit geval dat de koper bij het sluiten van de overeenkomst bereid was een tegenprestatie te verrichten om de auto te verkrijgen en de waardevermindering van de auto het gevolg is van een keuze van de koper. Bovendien heeft de koper het risico geaccepteerd dat de gekochte zaak na aflevering teniet zou gaan (vgl. artikel 7:10) althans in waarde zou verminderen.