Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/11.3.1
11.3.1 De directe invloed van Europees recht op de uitleg en toepassing van de open normen (A)
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS496016:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Collins 2004, p. 27-28.
De open term 'bedriegen' die in de verschillende definities voorkomt zal naar ik meen ruim of strikt kunnen worden uitgelegd, naar analogie met de misleidingsnorm.
Handig 2005, p. 1124 bekritiseert de vaagheid van bijv. de definitie van de professionele toewijding.
Zoals die tussen de definities gehanteerd in resp. art. 8 en 2 onder e jo. j richtlijn v.w.b. de noodzaak van een vrij dan wel geïnformeerd besluit. In art. 2 onder e richtlijn ontbreekt voorts de hypothetische tournure 'kan beperken' en lijkt de wezenlijke verstoring een positief besluit te vergen door de slottournure 'waardoor de consument tot een transactie besluit'. Bij de uitnodiging tot aankoop bepalen prijs en kenmerken zowel de toepasselijkheid als de uitkomst van de toets.
Garde en Haravon 2006, p. 10; Stuyck, Terryn en Van Dyck 2006, p. 131-132; Eriksson en ()berg 2007, p. 101. Het beantwoorden van al deze vragen, zouden zij wonden gesteld, zou de werkcapaciteit van het Hof mogelijk te boven gaan.
HvJ EG 23 april 2009, nr. C-261/07 en C-299/07, Jur. 2009, p. 1-2949 (Y7B-VAB en Galarea); HvJ EU 14 januari 2010, nr. C-304/08 (Plus; n.n.g.); HvJ EU 9 november 2010, nr. C-540/08 (Mediaprint; n.n.g.).
Dat een praktijk effect heeft op een deel van de doelgroep betekent, gelet op het professionele toewijdingscriterium, nog niet dat zij oneerlijk is in de zin van art. 5 lid 2 richtlijn: Mediaprint, r.o. 42-47.
Plus, r.o. 54.
Ook contrasteert het enigszins met de grote mate van objectivering die de richtlijn toestaat (referentieconsument, besluitcriterium) en het feit dat de richtlijn niet is toegespitst op de individuele B2C-relatie.
Collins 2010, p. 111.
CA Parijs 14 mei 2009, nr. 09/03660, D 2009, p. 1475, bevestigd in Cass. Com. 13 juli 2010, nr. 09-15304 en 09-66970, Bull. civ. 2010 IV, nr. 127; CA Parijs 26 november 2009 (Darty/UFC Que choisir).
JPmx Lorient 27 augustus 2009, nr. 91-08-000276.
Verzoek om een prejudiciële beslissing 8 maart 2010, nr. C-122/10.
HvJ EG 2 februari 1994, nr. C-315/92, Jur. 1994, p. 1-317(Clinique); HvJ EG 22 juni 1999, nr. C-210/96, Jur. 1998, p. 1-4657(Gut Springenheide); HvJ EG 13 januari 2000, nr. C-220/98, Jur. 2000, p. 1-117(Estée Lauder). Gelet op de reikwijdte van de richtlijn zal de rechter wellicht ook zijn toevlucht zoeken tot andere rechtspraak op het gebied van het consumentenrecht dan die m.b.t. de misleidingsnorm. Vgl. HvJ EG 16 mei 1989, nr. C-382/87, Jur. 1989, p. 1-1235(Buet), waarin het ging om de huis-aan-huisverkoop van lesmateriaal. In de praktijk is dit echter nog niet voorgevallen.
Hart 2008. Vgl. Rb. Breda (vzr.) 24 oktober 2006, IER 2007/17, r.o. 4.5.3v.Office of Fair Trading/Purely Creative Ltd and others [2011] EWHC 106 (Ch).
Van Dam 2009. De toevoeging van de 'sociale, culturele of taalkundige factoren' aan de definitie van de consument uit ov. 18 considerans is een met het oog op de harmonisatie ongelukkige keuze: Bmekman 2005, p. 178.
Nissan. Percentages bepalen volgens ov. 18, in lijn met de Gut Springenheide-uitspraak, niet de perceptie en verwachtingen van de 'gemiddelde consument'. De Duitse aanpak waarbij een bepaald percentage misleide consumenten doorslaggevend is, lijkt hiermee bij de toepassing van de richtlijn niet langer te zijn toegestaan.
De toelichting op de ontwerprichtlijn (Commissie 2003a) biedt door haar vele onduidelijkheden weinig houvast.
De opvallende bereidheid van Briggs J in OFT/Purely Creative het Engelse recht los te laten wordt onvoldoende 'beloond' door duidelijke Europese sturing. De rechter benadrukt dat de richtlijn en de door het HvJ verschafte sturing niet altijd duidelijk zijn (r.o. 49 en 67) en dat sturing soms helemaal ontbreekt (r.o. 10 en 70).
685. Deze paragraaf bespreekt de in Europese rechtsbronnen in brede zin (inclusief soft law) beschikbare handvatten bij de uitleg van de norm. Deze bronnen zijn de richtlijn zelf; haar doelstellingen, considerans en bijlagen, de rechtspraak van het HvJ en de documentatie van de Commissie. In het laatste geval, maar ook voor wat betreft de considerans, gaat het om soft law.
Het in detail vastleggen van wat onder een open norm moet worden verstaan, gaat in tegen de strekking van de open normen uit de principle-based richtlijn. Toch heeft de richtlijngever de onduidelijkheid en onzekerheid inherent aan de open richtlijnnormen enigszins willen wegnemen door deze te voorzien van definities (art. 2), criteria (inhoudelijk en effect), twee referentieconsumenten (art. 5 lid 2 onder b en art. 3, ov. 18 considerans), categorieën misleidende handelingen (art. 6 lid 1-3), een aantal gezichtspunten (art. 5 lid 3, art. 7 lid 3 of 9), een lijst verplichte informatie bij de 'uitnodiging tot aankoop', een lijst 'essentiële informatie' (art. 7 lid 5 en bijlage II) en een lijst met verboden praktijken (bijlage 1). 1
686. De paradox van de Richtlijn OHP is dat het gedetailleerde karakter ervan welgeteld evenveel onduidelijkheid schept als dat het ten aanzien van de open normen en begrippen wegneemt. Ten eerste bevatten de uitgebreide richtlijnbepalingen (zelfs de zwarte lijst)2 veel open en onvoldoende gedefinieerde normen en begrippen. De formulering van deze handvatten is dermate vaag dat er veel onduidelijkheid blijft. De invulling van de normen en de daarbij te maken afweging worden grotendeels overgelaten aan de nationale rechter. Er ontbreken veel definities en de beschikbare defmities zijn ruim geformuleerd.3 Ten tweede wordt door de sterk gelaagde artikelen en het veelvuldig gebruik van verbindingswoorden de toetsingssystematiek ondoorzichtig. De richtlijn bevat zelfs inconsistenties.4 De lijst biedt verder weinig sturing bij de invulling van de subnormen. Een onderliggende gemeenschappelijke gedachte valt er voor wat betreft de agressiesubnorm niet uit af te leiden. Daar komt bij dat de doelstellingen van de richtlijn — een hoog niveau van consumentenbescherming en de bevordering van de interne markt (ov. 1-3 considerans) — de uitkomst van de toetsing aan de normen, net als bij de Richtlijn OB, in tegengestelde richtingen kunnen sturen. Een teleologische uitleg is bij een richtlijn waarvan de doelstellingen elkaar soms bijten een lastige exercitie. Een ander punt is, dat de richtlijn de naleving van nationale gedragscodes waarin van de richtlijnnormen naar boven of naar beneden wordt afgeweken, waarborgt (art. 6 lid 2 onder b richtlijn). De kunstmatige afscheiding van aanverwante rechtsgebieden (contracten- en mededingingsrecht) kan, tot slot, voor ingewikkelde samenloopkwesties en kruisbestuivingen zorgen.
687. Er zijn veel prejudiciële vragen nodig om uitlegverschillen in te dammen. Na de totstandkoming van de richtlijn werd verwacht dat er een groot aantal prejudiciële vragen zou worden gesteld.5 Vooralsnog valt, vanuit het oogpunt van de harmonisatie, het aantal gestelde vragen nogal tegen.
De eerste prejudiciële vragen met betrekking tot de Richtlijn OHP zijn inmiddels beantwoord. De meeste tot op heden gestelde vragen betroffen de mogelijkheid een nationale verbodsbepaling, die de omzetting van de richtlijn had `overleefd', toe te passen. Het Hof beantwoordde deze vragen steeds ontkennend.6 Welke handvatten verschaft deze rechtspraak? Het Hof benadrukt, in lijn met de richtlijn, het limitatieve karakter van de zwarte lijsten, de vangnetrol van de hoofdnorm, de 'cumulatieve' systematiek van de hoofdnorm7 en het feitelijke karakter van de toetsing aan de hoofd- en subnormen.8
De rechtspraak van het Hof vindt duidelijk gehoor in de praktijk. Dit blijkt uit de manier waarop in Frankrijk thans wordt omgegaan met de voorheen verboden koppelverkooppraktijk. Een dergelijke praktijk dient in concreto aan de hoofdnorm te worden getoetst. De aandacht van de Franse rechter voor de richtlijntekst is aangewakkerd door bovenstaande rechtspraak.
De door het Hof benadrukte concreetheid van de toetsing aan de open normen is problematisch met het oog op de maximale harmonisatiedoelstelling.9 Omdat feitencomplexen op kleine punten kunnen verschillen, zullen uitspraken moeilijker met elkaar kunnen worden vergeleken of als precedenten kunnen fungeren.10 Daarnaast zullen rechters de vele potentieel in acht te nemen feiten verschillend waarderen en op uiteenlopende wijzen tegen elkaar afwegen, al naar gelang hun opvatting van de inhoud en systematiek van de toets.
In de Franse rechtspraak is de koppelverkooppraktijk meestal niet,11 maar soms ook wel12 als oneerlijk aangemerkt.
De beschikbare rechtspraak geeft vooralsnog weinig richting aan de uitleg van de vele open begrippen en onduidelijkheden in de richtlijn. Nu waren de meeste prejudiciële vragen hier ook niet op gericht.
Een uitzondering vormt het Ving Sverige-arrest waarin art. 7 lid 4 richtlijn — de misleidende omissie in geval van een uitnodiging tot aankoop — autonoom is uitgelegd.13 In dit arrest wordt duidelijk dat de 'uitnodiging tot aankoop' ruim moet worden opgevat en dat de nuancerende gezichtspunten uit art. 7 lid 3 van toepassing zijn op art. 7 lid 4 richtlijn. Voor een eenvormige toepassing van dit artikel zal deze uitspraak echter niet zorgen. De nationale rechter krijgt hierin, vanuit het oogpunt van de maximale harmonisatie, erg veel ruimte om al naar gelang de omstandigheden van het geval te beoordelen of sprake is van een misleidende omissie aangaande een uitnodiging tot aankoop.
688. Ofschoon er nog maar weinig jurisprudentie is met betrekking tot de Richtlijn OHP, staat de rechter niet met lege handen. Hij kan zich immers blijven richten op de grote hoeveelheid rechtspraak inzake de Richtlijn misleidende reclame en de daarin opgenomen gezichtspunten.14 Dit volgt uit ov. 18 considerans. Dat vasthouden aan deze rechtspraak tot een geharmoniseerde uitleg en toepassing van de misleidingsnorm leidt, lijkt, op grond van de bestaande praktijk, uitgesloten. De EU-rechtspraak is dan ook zeer casuïstisch en weinig eenduidig. De beschikbare rechtspraak over de uitleg van de consumentmaatstaf en het besluitcriterium leidt juist tot interpretatieverschillen.
Bij de vaststelling van de perceptie en verwachtingen van de gemiddelde consument kan rekening worden gehouden met sociale, culturele en taalkundige factoren. Deze gezichtspunten staan een consistente toepassing van de consumentmaatstaf in de weg: de perceptie en verwachtingen van de geïnformeerde consument kunnen per land variëren.15 Verder blijkt dat het Hof deze gezichtspunten niet steeds gebruikt. Moet de rechter hier wel steeds rekening mee gaan houden?16 Het Nissan-arrest17 leidt op zijn beurt tot een kwantitatieve invulling van het besluitcriterium die door ov. 18 considerans lijkt te worden uitgesloten.
689. Documentatie van de Commissie heeft (nog) geen zichtbare invloed op de toetsingspraktijk. Commissiedocumentatie is weliswaar niet bindend maar kan, naar ik meen, waardevol zijn bij het bewerkstelligen van de harmonisatie in de praktijk. Te denken valt vooral aan de recent verschenen Guidance (en niet zozeer aan de totstandkomingsdocumenten).18 Hoewel de Commissie in de Guidance voorzichtig blijft in haar formuleringen en ten aanzien van bepaalde normen (nog) geen aanwijzingen geeft, vormt de Guidance een stap in de goede richting. De hoeveelheid verschafte gezichtspunten zou verder moeten worden uitgebreid. Daarnaast zou de Guidance vanuit het Engels naar de nationale talen moeten worden vertaald om een brede impact te krijgen.
690. De hoeveelheid eenduidige Europese handvatten valt tegen en waar sprake is van enige duidelijkheid, zijn de beschikbare handvatten niet altijd bindend (de concrete voorbeelden uit de Commissie Guidance).19 De interpretatie van de open richtlijnnormen wordt derhalve grotendeels gestuurd door de bestaande praktijk en nationale bronnen (par. 11.3.2). Dit is een, in het licht van de maximale harmonisatie, onwenselijke situatie.