Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/6.2.3
6.2.3 Vertegenwoordiging van de CV
mr. J.E. van Nuland , datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254347:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.5.2.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 12 mei 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1830, JIN 2015, 179 (eenmanszaak of CV?).
HR 3 december 1971, NJ 1972, 117 (Hotel Jan Luyken).
Denk aan gezamenlijke bevoegdheid, bevoegdheid ter zake specifieke handelingen en bevoegdheid tot een maximale bedragen. Anders dan de BV geeft de wet geen limitatieve opsomming van mogelijkheden tot beperking met derdenwerking. Vereist is slechts dat de vennootschap is ingeschreven, zie artikel 29 WvK jo. 25 lid 4 sub a HregW, alsook de desbetreffende beperking van de bevoegdheid.
Zie artikel 19 Hregb; de wet verplicht niet expliciet tot inschrijving van het doel (zoals in Mohr/Meijers 2018, p. 127 wordt gesuggereerd), maar artikel 11 aanhef onder b HregB verplicht wel tot de inschrijving van een korte aanduiding van de uitgeoefende activiteit of activiteiten.
Zie Hamers & Van Vliet 2019, p. 122; Tervoort 2015a, p. 124.
Vgl. artikel 2:7 BW, waar een rechtshandeling in strijd met het doel wordt bedreigd met vernietigbaarheid. In beginsel is de rechtshandeling dus geldig. Bestuurders hebben in geval van doeloverschrijding interne aansprakelijkheid te duchten, vgl. Van Schilfgaarde 2017 onder verwijzing naar HR 29 november 2002, NJ 2003, 455 (Berghuizer Papierfabriek).
Vgl. Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/74, die tot het beheer niet rekent ‘alle handelingen die redelijkerwijze tot verwezenlijking van het doel van de vennootschap dienstig kunnen zijn’ en Hamers & Van Vliet 2019, p. 122 die daarbij verwijzen naar Kamerstukken II 2002/03, 28 746, nr. 3, p. 18; in HR 8 juni 1990, NJ 1990, 607 (Kruithof/Wittenberg) bezigt de Hoge Raad eenzelfde omschrijving met betrekking tot de verhouding tussen de vertegenwoordigingsbevoegdheid en het doel van de vennootschap als hij overweegt dat ingevolge artikel 17 WvK ‘elk der vennoten, die daarvan niet is uitgesloten bij de overeenkomst van vennootschap, [is] bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen voor zover de op naam van de vennootschap verrichte handeling dienstig kan [curs. JN] zijn tot verwezenlijking van het doel der vennootschap’.
Tervoort 2015a, p. 124; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/133.
Vgl. Mathey-Bal 2016, p. 43.
Vgl. voor wat betreft beschikkingshandelingen Hamers & Van Vliet 2019, p. 134-135.
Waarover paragraaf 3.5.2; zie voor een geval waarin schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ten aanzien van een VOF werd aangenomen Hof Amsterdam 26 september 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3924.
Zie voor dit laatste artikel 29 WvK jo. 25 HregW; een dergelijk geval deed zich voor in Rb. Rotterdam 8 juni 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ9931, JIN 2011, 629.
Asser/Kortmann 3-III 2017/86; dezelfde omstandigheden als bij schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen daartoe aanleiding geven, aldus HR 12 januari 2001, NJ 2001, 157 (Kuijpers/Wijnveen), zie ook Hamers & Van Vliet 2019, p. 116-117.
HR 13 juni 1958, NJ 1958, 352 (Dieselgarage II).
Hamers & Van Vliet 2019, p. 118; Tervoort 2015a, p. 132; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/114.
Artikel 6:198 BW.
Artikel 6:201 BW.
Tenzij hij het bestuursverbod heeft overtreden, zie artikel 21 WvK; zie ook Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/385.
De vennootschap raakt wel gebonden in geval van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid en (schijn van) baattrekking, maar dat laat de aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot op grond van artikel 21 WvK onverlet. Een handelen van de commanditaire vennoot in het kader van zaakwaarneming wordt door Tervoort hetzelfde behandeld als een handelen krachtens volmacht, zie Tervoort, GS Personenassociaties, aant. 2.9.1.3.
Vgl. Hamers & Van Vliet 2019, p. 128; Asser/Maeijer 5-V 1995/383 en herhaald in Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/383; Tervoort 2015a, p. 125.
Mohr/Meijers 2018, p. 158.
Met name ter zake de (omvang van de) schade, zie Asser/Kortmann 3-III 2017/98.
Bij de toepassing van artikel 3:70 BW kan de rechter overigens wel een vergoeding ‘in natura’ toekennen (artikel 6:103); dat ligt veelal echter niet voor de hand, aldus Asser/Kortmann 3-III 2017/97, terwijl dat evenmin op een lijn kan worden gesteld met nakoming van de overeenkomst.
Vgl. HR 29 mei 2015, NJ 2015, 380, m.nt. Van Schilfgaarde (Katterug), r.o. 3.4.6 waarin de Hoge Raad overweegt ‘dat een commanditaire vennoot ervan op de hoogte behoort te zijn dat hij geen daden van beheer mag verrichten.’
Aan de vraag of de CV rechtsgeldig is vertegenwoordigd, gaat een vraag vooraf. Eerst is relevant of de handelende persoon namens de vennootschap is opgetreden. Zoals hiervoor1 reeds aan de orde kwam is het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst afhankelijk van hetgeen de wederpartij uit de verklaringen en gedragingen van de handelende persoon heeft afgeleid en in de gegeven omstandigheden mocht afleiden, waarbij ook omstandigheden na het sluiten van de overeenkomst een rol kunnen spelen.2 Daarentegen is niet bepalend of uitdrukkelijk de naam van de CV is gebruikt.3
Artikel 17 lid 1 WvK maakt alle gewone vennoten zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd. Ieder van hen kan in beginsel de vennootschap en haar vennoten aan derden binden. Deze algemene bevoegdheid wordt ingevolge het tweede lid beperkt door de doelomschrijving van de vennootschap enerzijds en tussen de vennoten bestaande afspraken anderzijds. Dit laatste maakt ook uitsluiting van een of meer vennoten mogelijk. Er zijn legio mogelijkheden om de vertegenwoordigingsbevoegdheid van vennoten in de vennootschapsovereenkomst te beperken.4 Dergelijke beperkingen kunnen slechts jegens derden worden ingeroepen voor zover zij daarmee bekend zijn. De inschrijving van deze beperkingen in het handelsregister kan daarbij helpen.5 Ter beantwoording van de vraag of de vennootschap rechtsgeldig is vertegenwoordigd, kan het dus zo zijn dat haar doel moet worden uitgelegd. In dat geval ligt een objectieve uitleg daarvan in het voordeel van de derde voor de hand.6 Anders dan voor rechtspersonen leidt doeloverschrijding bij de personenvennootschappen tot vertegenwoordigingsonbevoegdheid.7 De beperking van vertegenwoordigingshandelingen tot de doelomschrijving van de vennootschap wordt in artikel 17 lid 2 WvK uitgedrukt als handelingen ‘welke niet tot de vennootschap betrekkelijk zijn’. Anders8 dan voor wat betreft de bestuursbevoegdheid, zijn de gewone vennoten ook bevoegd tot het verrichten van handelingen die aan de verwezenlijking van de doelen van de vennootschap dienstig kunnen zijn.9 Verder behoren hiertoe ook handelingen die niet rechtstreeks dienstig zijn aan het verwezenlijken van het doel van de vennootschap, maar naar gebruik en billijkheid uit het doel voortvloeien en daarmee samenhangen.10 De vertegenwoordigingsbevoegdheid reikt dan ook verder dan de beheersbevoegdheid.11 Zolang de gewone vennoot binnen de grenzen van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid blijft, raken de vennootschap en haar vennoten jegens de derde verbonden; gaat de handelende vennoot daarbij zijn beheersbevoegdheid te buiten, dan komt zijn handeling intern voor eigen rekening. Voor bevoegdelijk handelen buiten deze toegekende vertegenwoordigingsbevoegdheid, is een volmacht van de andere vennoten vereist. Naar mijn mening is dan ook de instemming van de commanditaire vennoot vereist, omdat in deze gevallen wordt teruggrepen naar het uitgangspunt van de samenwerking dat ter zake de instemming van alle vennoten is vereist.12
Ondanks het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid, al dan niet krachtens volmacht, kunnen de vennootschap en haar gewone vennoten toch gebonden raken in geval van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid,13 bekrachtiging (artikel 3:69 lid 1 BW) of wanneer de beperking van de bevoegdheid niet uit het handelsregister blijkt.14 Daar bekrachtiging evenmin uitdrukkelijk behoeft plaats te vinden, kan de schijn daarvan eveneens de vennootschap gebonden doen zijn.15 Verder kan ook baattrekking in de zin van artikel 7A:1681 BW tot gebondenheid van de vennootschap leiden. Volgens de Hoge Raad heeft ‘de zaak ten voordeele der maatschap gestrekt’ wanneer de handeling per saldo, dus uiteindelijk, voor de vennootschap tot een voordeel heeft geleid.16 De bewijslast ter zake rust op de wederpartij.17 Ten slotte kan ook het leerstuk betreffende zaakwaarneming tot gebondenheid leiden. Daarvan is sprake wanneer de handelende persoon zich willens en wetens en op redelijke grond inlaat met de behartiging van het belang van de vennootschap, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.18 Een zaakwaarnemer is bevoegd rechtshandelingen te verrichten in naam van de vennootschap, voor zover haar belang daardoor naar behoren wordt behartigd.19 Heeft de vennoot onbevoegd gehandeld en leidt ook geen van de voornoemde rechtsfiguren tot gebondenheid van de vennootschap, dan is uitsluitend de vennoot zelf gebonden. Deze gebondenheid vloeit voort uit artikel 7A:1681 BW. Noch de vennootschap, noch de overige vennoten kunnen dan worden aangesproken. De commanditaire vennoot kan overigens nooit rechtstreeks worden aangesproken voor handelingen die de gewone vennoten namens de vennootschap hebben verricht.20
Het leerstuk van vertegenwoordiging speelt maar een beperkte rol ten aanzien van de commanditaire vennoot. Ingevolge artikel 20 lid 2 WvK is hij daartoe niet bevoegd, zelfs niet krachtens volmacht. Een vertegenwoordigend optreden van de commanditaire vennoot leidt niet tot gebondenheid van de vennootschap, maar heeft twee gevolgen.21 De commanditaire vennoot raakt ingevolge artikel 7A:1681 BW zelf jegens de wederpartij verbonden22 en op grond van 21 WvK is hij alsdan ook hoofdelijk verbonden voor alle schulden en verbintenissen van de vennootschap. Mohr en Meijers stellen dat noch de commanditaire vennoot noch de vennootschap noch de overige vennoten jegens de wederpartij gebonden raken, maar dat de commanditaire vennoot wel op grond van artikel 3:70 BW jegens de wederpartij aansprakelijk zal zijn.23 Toepassing van artikel 7A:1681 BW heeft evenwel mijn voorkeur. Waar de gebondenheid en de omvang van aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot reeds voortvloeit uit deze bepaling, rust bij de toepassing van artikel 3:70 BW de nodige bewijslast op de wederpartij.24 Bovendien vloeit uit deze laatste bepaling uitsluitend een plicht tot vergoeding van schade voort, terwijl de wederpartij op grond van artikel 7A:1681 BW de commanditaire vennoot tot nakoming van de overeengekomen verbintenis kan aanspreken;25 hij heeft immers zichzelf gebonden. Ten slotte leidt artikel 3:70 BW uitzondering wanneer de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbreekt. Indien de wederpartij weet dat zij met een commanditaire vennoot van doen heeft, strandt een beroep op artikel 3:70 BW en kan zij – in de opvatting van Mohr en Meijers – niemand aanspreken. Dat lijkt mij een onwenselijke uitkomst, te meer omdat voor de commanditaire vennoot zonneklaar is dat hij de vennootschap niet mag vertegenwoordigen.26