Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/6.2.1
6.2.1 De CV als overeenkomst
mr. J.E. van Nuland , datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254370:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Mohr/Meijers 2018, p. 6.
Mohr/Meijers 2018, p. 7.
Zie Mohr/Meijers 2018, p. 104 (stille maatschap), 122 (openbare maatschap), 137 e.v. (VOF), 159 e.v. (CV); Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/173 (algemeen), 176 (VOF), 182 (openbare maatschap), 189 (stille maatschap), 404 (CV); Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 137-139.
Door de Hoge Raad nog eens benadrukt voor wat betreft de openbare maatschap in HR 15 maart 2013, NJ 2013, 290, m.nt. Van Schilfgaarde (Biek Holding) en de VOF in HR 6 februari 2015, RvdW 2015, 253 (VDV/Totaalbouw); zie ook Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/13; Pitlo/Raaijmakers 2017, par. 2.2.7.
Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 83-84.
Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 87-88; vgl. voor een geval waarin de elementen van maatschap stapsgewijs werden getoetst Hof ’s-Hertogenbosch 28 juli 2009, JOR 2009, 315, m.nt. Stokkermans (Dierenartsenpraktijk).
Mohr/Meijers 2018, p. 22.
Vgl. Hof Amsterdam 27 januari 2015, JOR 2015, 164, m.nt. Stokkermans (Distriport).
Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 86; Mohr/Meijers 2018, p. 23.
Mohr/Meijers 2018, p. 33; Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 114-115; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/46.
Mohr/Meijers 2018, p. 33; zie voor een geval waarin een ‘ontwrichte relatie en de daardoor verstoorde samenwerking’ tussen de vennoten een gewichtige reden (art. 7A:1684 BW) voor ontbinding van de vennootschap opleverde Rb. Midden-Nederland 1 november 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:5588; partijen waren het eens over de onmogelijkheid tot verdere samenwerking in Rb. Overijssel 8 augustus 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:3747.
Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 115.
Kritisch over de vermogensrechtelijke aard van het voordeel is Stokkermans 2017, par. 2.3.5.
Mohr/Meijers 2018, p. 51-54; Hamers & Van Vliet 2019, p. 79-80; zie expliciet HR 17 december 1993, NJ 1994, 301, m.nt. Maeijer (Van den Broeke/Van der Linde).
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/46; Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 89.
HR 22 september 2017, NJ 2017, 395, m.nt. Van Schilfgaarde (Stichting Participanten Warmond/Lexence).
Vgl. Stokkermans in zijn annotatie bij HR 22 september 2017 in Ondernemingsrecht 2017, 149.
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/15; Hamers & Van Vliet 2019, p. 83-84 die overigens spreken van ‘het economisch en juridisch verkeer’; Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 133 en 135, die zich beperkt tot deelname aan het economisch verkeer; de term ‘rechtsverkeer’ verdient mijns inziens de voorkeur, vgl. HR 5 november 1976, NJ 1977, 586, m.nt. Heemskerk (Moret Gudde Brinkman).
Zie HR 4 januari 1937, NJ 1937, 586, m.nt. Scholten (Erik Schaaper); evenzo Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/352.
Mohr/Meijers 2018, par. 3.5; Hamers & Van Vliet 2019, p. 86.
De definitie van maatschap typeert alle personenvennootschappen eerst en vooral als een overeenkomst, een rechtsbetrekking tussen twee of meer personen. Niet alleen haar totstandkoming, maar ook de wijze waarop de samenwerking wordt ingericht is (nagenoeg) vormvrij. De rechtsbetrekking beheerst evenwel niet slechts de relatie tussen de samenwerkende partners, maar beïnvloedt ook hun verhouding ten opzichte van derden.1 Dat geldt met name voor de samenwerkingen die onder een gemeenschappelijke naam naar buiten treden.2 De kenbaarheid van de associatie, de samenwerking, maakt dat kan worden gesproken van een bepaalde eenheid die tot op zekere hoogte een eigen identiteit heeft.3 In het algemeen wordt bovendien thans aangenomen dat iedere personenvennootschap een afgescheiden vermogen heeft, waarop zaakscrediteuren zich met voorrang kunnen verhalen, onverminderd hun verhaalsrecht op de individuele vennoten.4 Rechtspersoonlijkheid wordt door de wet echter niet aan deze rechtsbetrekking verbonden.5 De vennootschap als overeenkomst heeft dan ook een bijzonder karakter, aldus Raaijmakers, omdat zij een door een overeenkomst beheerste organisatie tot het beheer en exploitatie van een onderneming als going concern schept en in wezen dus ook een beheersregeling voor een gebonden gemeenschap van die onderneming.6 De overeenkomst is de grondslag voor de organisatie van de samenwerking, die gericht is op een gemeenschappelijk doel. Deze samenwerking wordt op gelijkwaardige basis aangegaan (affectio societas). Raaijmakers beschrijft dit kernvereiste als de voortdurende en objectieve wil tot samenwerking in de onderneming op voet van gelijkheid om met ieders inbreng voordeel te behalen.7 Maeijer en Van Olffen hebben het over de uit de inhoud van de overeenkomst af te leiden wil van de vennoten tot samenwerken op voet van gelijkheid.8 Volgens Mohr en Meijers moeten partijen bij het sluiten van de overeenkomst de bedoeling hebben, of althans aan hen moet aan de hand van de inhoud en strekking van de door hen gesloten overeenkomst de bedoeling kunnen worden toegeschreven, om onderling op voet van gelijkheid samen te werken.9
Voornoemde wil en objectieve bedoeling van de partners moet mijns inziens onder alle vennoten aanwezig zijn, voor wat betreft de CV dus zowel bij de gewone als de commanditaire vennoten.10 De commanditaire vennoot is niet slechts geldschieter, maar als partij bij de rechtsbetrekking lid van de personenassociatie. De consensuele aard van de personenvennootschap en de centraliteit van samenwerking als basis voor het bestaan daarvan, bepalen in belangrijke mate haar karakter. Waar de zeggenschapsverhoudingen en bevoegdhedenallocatie bij kapitaalvennootschappen in vergaande mate door de wet worden bepaald, is de gelijkwaardigheid in belangrijke mate bepalend voor het functioneren, of de organisatie, van de vennootschap, alsook de rechtspositie van haar deelnemers. Met Mohr en Meijers meen ik dat de samenwerking van de vennoten in essentie erin bestaat dat zij steeds samen het beleid bepalen dat tot verwezenlijking van het gemeenschappelijk doel moet leiden. In beginsel besturen zij de vennootschap in onderling overleg en komen alle bevoegdheden aan de vennoten gezamenlijk toe. Als uitgangspunt vereist besluitvorming aangaande de vennootschappelijke organisatie en de verwezenlijking van haar doel(en) steeds unanimiteit.11
De onderlinge, interne verhouding tussen de vennoten wordt dus sterk beheerst door de aard van de tussen hen bestaande rechtsbetrekking. Jegens elkaar moeten de vennoten zich gedragen zoals een goed vennoot betaamt.12 Niet alleen de contractuele bepalingen, maar ook de redelijkheid en billijkheid bepalen de wijze waarop de vennoten moeten samenwerken. Het onderlinge vertrouwen tussen de vennoten vormt een wezenlijke basis van de vennootschap.13 De vennoten moeten zich positief, naar vermogen en naar hetgeen redelijkerwijs van ieder van hen mag worden verwacht, inzetten tot verwezenlijking van het vennootschappelijke doel.14 In ieder geval moet als zodanig worden aangemerkt het behalen van vermogensrechtelijk15 voordeel; daarin is volgens de wet immers de reden gelegen waarom de vennoten zich verbinden tot een inbreng in gemeenschap. Deze gemeenschap moet worden aangemerkt als zijnde gebonden.16 Hetgeen de vennoten aan de vennootschap beschikbaar stellen en zij gedurende haar bestaan in het kader van de samenwerking verwerft, is onderworpen aan voornoemd doel. Het vennootschapsvermogen moet dan ook worden aangewend tot verwezenlijking daarvan. De vennoten dienen bij hun handelen niet alleen hun eigen belangen na te streven, maar steeds ook die van de andere vennoten en met name het belang van het samenwerkingsverband als zodanig te overwegen.17 Het belang van de CV bestaat uit het gezamenlijk belang van zowel de gewone als de commanditaire vennoten.18 Dat ook het belang van de commanditaire vennoten gestalte geeft aan het belang van de CV vloeit reeds voort uit de omstandigheid dat ook zij als zodanig onderdeel uitmaken van het samenwerkingsverband. Is aan de CV een onderneming verbonden dan omvat het gezamenlijk belang van de vennoten tevens het ondernemingsbelang.19
Bij de CV (alsook de VOF en openbare maatschap) blijkt van het bestaan van het samenwerkingsverband naar buiten doordat onder een gemeenschappelijke naam wordt geopereerd. Daarmee wordt bedoeld dat de vennootschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam deelneemt aan het rechtsverkeer.20 De CV is dus een openbare vennootschap.21 Die aanduiding is relevant, omdat de openbaarheid van de samenwerking de rechtsbetrekking tussen de vennoten van een externe dimensie voorziet. Het handelen onder een gemeenschappelijke naam is medebepalend voor de doorwerking van de rechtsbetrekking tussen de vennoten in relatie tot derden.22 Voor de CV vloeit daar onder meer uit voort dat zij door alle gewone vennoten kan worden verbonden, hetgeen op grond van artikel 18 WvK ook tot een hoofdelijke verbondenheid van deze vennoten leidt. De commanditaire vennoot kan ingevolge artikel 20 lid 3 WvK evenwel niet door derden worden aangesproken. In de navolgende paragrafen bespreek ik in het licht van het voorgaande eerst het bestuur van de CV en vervolgens de vertegenwoordiging daarvan.