Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/5.5.5.1
5.5.5.1 Overgang van de juniorvordering
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186590:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Spinath 2005, p. 9 en 11, Wibier 2007, p. 76, Beekhoven van den Boezem 2015, A. van Hees 1989, p. 98 en Biemans 2011, p. 440.
Zie over de verhouding tussen de kwalificatie van de achterstelling als wijziging van het verhaalsrecht en de inhoud van de vordering par. 5.3.3.2.
Zie par. 5.2.2.1. Vgl. Biemans 2011, p. 15 en 72.
Art. 6:142 BW, zie ook MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 531.
In deze zin: Biemans 2011, p. 268 en 714.
Vgl. HR 22 januari 1942, NJ 1942/289 (Kouman & Kouman/Horsten q.q.). In deze zin ook impliciet Rongen 2012, p. 159.
Zie Biemans 2011, p. 15. Vgl. ook TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 118 en 558.
Vgl. HR 24 mei 1963, NJ 1966/339 (Maastrichtse Disconto Maatschappij/Rens).
Anders: Fransis 2017, nr. 309 en 339 e.v., zie par. 5.5.2.2 en 5.5.3.2.
Zie par. 5.3.4, 5.5.2.2 en 5.5.3.2.
Anders: Fransis op de jaarvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijkend en Internationaal Insolventierecht in 2013, zie Walhof 2014 en vgl. par. 5.5.2.2.
265. Bij overgang van de juniorvordering blijft een eigenlijke achterstelling in stand. Dit wordt doorgaans verklaard door aan te nemen dat een eigenlijke achterstelling deel uitmaakt van de inhoud van de vordering.1 Het resultaat is niet anders wanneer de achterstelling wordt gekwalificeerd als wijziging van het verhaalsrecht van de junior.2 De grondslag daarvoor is wel een andere.
Bij overgang van een vordering gaat het verhaalsrecht van de oude schuldeiser over op de nieuwe schuldeiser. Dit kan op twee manieren worden verklaard. Ten eerste kan verhaalsrecht worden beschouwd als onderdeel van het ius agendi dat onderdeel uitmaakt van het vorderingsrecht in ruime zin.3 Het verhaalsrecht gaat dan mee over op de nieuwe schuldeiser omdat het onderdeel uitmaakt van de overgedragen vordering. Ten tweede kan het verhaalsrecht worden beschouwd als een nevenrecht bij het vorderingsrecht in enge zin. De wetgever noemt voorrechten en het recht om een bestaande executoriale titel ten uitvoer te leggen expliciet als voorbeelden van nevenrechten.4 In het verlengde hiervan kan het gehele verhaalsrecht beschouwd worden als een nevenrecht zodat het met het vorderingsrecht mee overgaat.5
In beide gevallen gaat het verhaalsrecht van de voormalig juniorschuldeiser over op de verkrijger van de juniorvordering.6 Bij de overgang wijzigt het verhaalsrecht niet.7 De opvolgende juniorschuldeiser kan dus alleen beschikken over een verhaalsrecht met dezelfde beperkingen als daaraan kleefden toen de oorspronkelijke juniorschuldeiser nog de rechthebbende daarvan was. Een van die beperkingen is de eigenlijke achterstelling. De juniorvordering is dus ook na overgang een eigenlijk achtergestelde vordering.8
Het maakt daarbij geen verschil of de achterstelling tot stand is gekomen tussen de junior en de schuldenaar, tussen de junior en de senior, of door een eenzijdige rechtshandeling van de junior.9 In alle gevallen wijzigt de eigenlijke achterstelling het verhaalsrecht van de oorspronkelijke junior.10 De opvolgende junior verkrijgt dus in steeds slechts een verhaalsrecht waarvan de eigenlijke achterstelling onderdeel uitmaakt.
Hetzelfde geldt mutatis mutandis in andere gevallen waarin een ander dan de oorspronkelijke juniorschuldeiser verhaal neemt voor de juniorvordering zonder dat die is overgegaan, zoals bij inning door een pandhouder, een beslaglegger of de curator in het faillissement van de juniorschuldeiser. Ook zij zijn aan de eigenlijke achterstelling gebonden, omdat zij het verhaalsrecht van de junior enkel kunnen uitoefenen met de daaraan verbonden beperkingen.11