Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/12.9.5:12.9.5 ‘Verbonden lichaam’ en ‘verbonden natuurlijk persoon’ van een lichaam
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/12.9.5
12.9.5 ‘Verbonden lichaam’ en ‘verbonden natuurlijk persoon’ van een lichaam
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS606625:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Vennootschapsbelasting / Fiscale eenheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nu het begrip ‘concern’ in mijn voorstel is gericht op faciliteiten, kan het begrip ‘verbonden lichaam’ worden voorbehouden voor fiscale regelingen met een antiontgaanskarakter. Dat geldt ook voor het begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’. Hierbij past naar mijn mening een lagere bezitsgrens van 331/3%, omdat hiermee het bereik van antiontgaansbepalingen kan worden vergroot. Voorts dient anders dan bij het begrip ‘concern’ niet te worden uitgegaan van een scherpe norm, maar van een open norm. In dit verband acht ik het begrip ‘belang’ op zich geschikt, maar dit is in haar huidige vorm wel erg onduidelijk. Bovendien is de term ‘belang’ in de verschillende fiscale regelingen waarin deze een rol speelt, steeds op een andere wijze uitgelegd. Nu het begrip ‘belang’ in deze regelingen dezelfde functie heeft, vind ik het voor de hand liggen dat dit begrip eenduidig wordt geïnterpreteerd.
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat overheersende zeggenschap en een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam. Niet alleen een aandelenbelang vormt een ‘belang’, maar ook andere rechten, zoals zeggenschapsrechten en schuldeisersbelangen, en deelname aan de leiding.
Ten aanzien van een aandelenvennootschap wordt een ‘belang’ aanwezig geacht bij het bezit van 33'/3% van de aandelen in het geplaatste kapitaal en de daaraan verbonden stemrechten.
Hierbij gaat het om het daadwerkelijke ‘belang’ zoals is toegelicht met betrekking tot art. 4 lid 3 WBR, dat wil zeggen, dat een aandelenbezit dat economisch kan worden gelijkgesteld met een geldlening, zoals preferente aandelen of aandelen zonder stemrecht, geen ‘belang’ vormt. Een aandelenbezit van minder dan 33'/3% kan echter toch een ‘belang’ zijn, indien aan deze aandelen ten minste een derde gedeelte van de zeggenschap is verbonden.
Voorts gaat het om het ‘uiteindelijke belang’, ofwel het belang dat op proportionele basis wordt gehouden door een natuurlijk persoon of lichaam.
De belangen gehouden door de echtgenoot, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’, kinderen en kinderen van de levensgezel worden meegeteld bij de beoordeling van het verbondenheidsvermoeden.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, kunnen zelf ook een ‘belang’ vormen en tellen als zodanig eveneens mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden.
Bovengenoemde veronderstelling van de aanwezigheid van een ‘belang’ op basis van een aandelenbezit dient om duidelijkheid te bieden in ‘standaardsituaties’ ten aanzien van aandelenvennootschappen, waarin bijvoorbeeld geen sprake is van zeggenschap op basis van overeenkomsten en alleen een aandelenband bestaat. In verband met de antiontgaansfunctie staat de feitelijke, materieel-economische benadering echter voorop. In gevallen die afwijken van de standaardsituaties, bijvoorbeeld omdat sprake is van een vennootschap zonder een in aandelen verdeeld kapitaal of omdat er krachtens een managementovereenkomst feitelijke zeggenschap en beleidsbepalende invloed kan worden uitgeoefend zonder dat er een aandelenband is, kan ook een ‘belang’ bestaan.
Belastingplichtigen krijgen de mogelijkheid om de fiscus vooraf zekerheid te vragen over de aanwezigheid van een ‘belang’ en verbondenheid.
Deze begrippen ‘verbonden lichaam’ en ‘verbonden natuurlijk persoon’ kunnen niet alleen worden gehanteerd in de Wet VPB 1969, maar ook in de Wet OB 1968, de Wet LB 1964 en de WBR.