Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/X.6:X.6 Conclusie: geen samenloop
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/X.6
X.6 Conclusie: geen samenloop
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178892:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is tijd om de balans op te maken. Opvallend is dat de procedures voor de Ondernemingskamer respectievelijk de rechtbank goeddeels tot dezelfde gevolgen kunnen leiden. Wie opkomt tegen een jaarrekeningbesluit, kan op voet van art. 2:14 en 2:15 BW hetzelfde bereiken als langs de weg van de jaarrekeningprocedure, althans in theorie. Zowel de Ondernemingskamer als de rechtbank kan een jaar rekeningbesluit vernietigen (of nietig achten). Beide colleges doen dat in de regel met werking erga omnes, ten aanzien van het besluit als geheel en met medenemen van voortbouwende besluiten. Zij kunnen de ongeldigheid van het besluit niettemin partieel uitspreken, de gevolgen daarvan mitigeren of de rechtspersoon enige wenken geven met het oog op de opnieuw vast te stellen jaarrekening.
Wel blijken de bevoegdheden van de Ondernemingskamer op nagenoeg alle punten ruimhartiger bemeten dan die van de rechtbank; de wetgever heeft de Ondernemingskamer in de jaarrekeningprocedure meer de vrije hand gelaten. Dit maakt samenloop problematisch. Waar de twee colleges beide bevoegd zijn, vinden rechtszoekenden al snel de weg naar de Ondernemingskamer. Zij biedt immers meer discretie, houdt haar zittingen in beslotenheid (art. 2:450 lid 1 BW), heeft expertise en is ongetwijfeld bereid om nu en dan verder te gaan dan een gewone rechtbank zou doen. Bovendien geldt de éénjarige vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW in de jaarrekeningprocedure naar alle waarschijnlijkheid niet. Mijns inziens is forumshopping in deze zin niet zonder bezwaren. De jaarrekeningprocedure is bedoeld noch ontworpen voor gedingen die in de kern civielrechtelijk van aard zijn, draaien om de vermogensrechtelijke belangen van een of enkele betrokkenen en zich niet primair richten op de herinrichting van de jaarrekening.
Gelukkig komt het strikt genomen niet tot samenloop. Tussen Ondernemingskamer en rechtbank zit geen licht. Hun rechtsmacht laat zich tamelijk precies afbakenen langs de lijnen van de verschillende rechtsgronden. Schendt een jaarrekening (en dus het besluit) de jaarrekeningvoorschriften, dan is een verzoek aan de Ondernemingskamer de aangewezen weg. Voor andere gebreken in het jaarrekeningbesluit dient de procedure voor de rechtbank, die desgevorderd verklaart dan een besluit nietig is dan wel een besluit vernietigt. Om deze reden is van overlap geen sprake, en dus sensu stricto evenmin van samenloop (vgl. § 2.3 slot).
Wie daarentegen het samenloopbegrip wat breder opvat, kan volhouden dat de jaarrekeningprocedure exclusief werkt. Die exclusiviteit beperkt zich evenwel tot de gevallen waarin de jaarrekening een van de inrichtingseisen vervat in de jaarrekeningtitel van Boek 2 BW schendt. Dan staat uitsluitend de jaarrekeningprocedure open. Dat de belanghebbende daarmee niet noodzakelijk de vernietiging van het jaarrekeningbesluit kan bereiken nu de Ondernemingskamer daartoe ambtshalve overgaat, maakt dit niet anders. De inrichtingseisen zien tenslotte op de jaarrekening als zodanig, niet op het jaarrekeningbesluit.
Al met al ligt tussen de Ondernemingskamer en de rechtbank geen niemandsland, maar ook geen betwist gebied. Dat spreekt. De verdeling van rechtsmacht past bovendien bij de onderscheiden aard van de procedures. Waar de jaarrekeningprocedure beoogt bij wege van recours objectif de jaarrekening te toetsen aan de inrichtingseisen, bestaat bij de rechtbank meer ruimte de belangen van betrokkenen te wegen in de vorm van een recours subjectif.