Uitkoop van minderheidsaandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/8.4.3.b:8.4.3.b Het aanhouden van een procedure op grond van de redelijkheid en billijkheid
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/8.4.3.b
8.4.3.b Het aanhouden van een procedure op grond van de redelijkheid en billijkheid
Documentgegevens:
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS597691:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 12 maart 1992 (ro. 3.6), NJ 1992/662 (Confectiecentrum).
Aldus ook Maeijer onder NJ 1992/662. Maeijer acht de formulering ‘dat het bij voorbaat niet geheel onwaarschijnlijk is’ echter te zwak. Volgens hem is een zwaardere norm zoals ‘dat bij voorbaat waarschijnlijk c.q. redelijkerwijs te verwachten is’ of ‘een grote kans bestaat dat de vordering kans van slagen heeft’ beter. Zie ook Van Vliet (1999), p. 58.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot kan de OK een uitkoopprocedure aanhouden op grond van de redelijkheid en billijkheid. Dit speelt met name indien in een parallel lopende procedure het kapitaalbelang van de uitkoper ter discussie staat.
Een voorbeeld hiervan is de uitkoopprocedure inzake Confectiecentrum. In deze zaak loopt gelijktijdig een procedure bij de rechtbank Amsterdam ter vernietiging van een aantal besluiten van de raad van commissarissen. Bij de vernietiging hiervan, voldoet de uitkoper niet langer aan het kapitaalvereiste. De OK houdt, in afwachting van het geschil bij de rechtbank, de uitkoopprocedure aan. Zij overweegt hiertoe:
“In aanmerking nemend dat het bij voorbaat niet geheel onwaarschijnlijk is dat de bij de rechtbank aanhangige vorderingen een kans van slagen hebben, acht het hof het niet in overeenstemming met de door partijen als aandeelhouders van een vennootschap jegens elkander in acht te nemen redelijkheid en billijkheid dat eiseres reeds thans zou kennen handelen alsof er geen bijl aan de wortels van haar bevoegdheid aandeelhouder te zijn ware gelegd.”1
Deze pragmatische oplossing van de OK acht ik juist. Wel dient zij te waken voor onnodige vertraging van de uitkoopprocedure.2