De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board
Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.4.2:VII.4.4.2 Verbondenheid voor rechtshandelingen verricht namens de op te richten vennootschap
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.4.2
VII.4.4.2 Verbondenheid voor rechtshandelingen verricht namens de op te richten vennootschap
Documentgegevens:
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242692:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aldus de Hoge Raad in HR 8 juli 1992, NJ 1993, 116 m.nt. Maeijer (Clara Candy).
In dezelfde zin onder anderen Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/81; en Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 28.1, p. 475. Zie voor een voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 19 februari 2019, JOR 2019/154 m.nt. Groffen.
Voor voorbeelden verwijs ik naar Koppert-van Beek 2003, p. 46-47.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Totdat de vennootschap de rechtshandeling bekrachtigt, is de handelende persoon hoofdelijk verbonden voor de rechtshandeling die hij namens de op te richten vennootschap heeft verricht. Is de bekrachtigende vennootschap niet de vennootschap die partijen op het oog hadden toen zij contracteerden, dan eindigt de verbondenheid van de handelende persoon niet.1 De verbondenheid duurt mijns inziens eveneens voort wanneer de vennootschap niet wordt opgericht.2 Bij dit alles geldt dat partijen anders overeen kunnen komen.3
De hoofdelijke verbondenheid van art. 2:93/203 lid 2 BW rust alleen op de handelende persoon. Deze persoon kan een toekomstig niet-uitvoerend bestuurder zijn. Denkbaar is bijvoorbeeld dat een geldschieter actief betrokken is in de beginfase, maar zijn rol na de oprichting van de vennootschap degradeert tot die van toezichthouder. Verricht de persoon die later tot niet-uitvoerend bestuurder benoemd zal worden een rechtshandeling namens de op te richten vennootschap, dan kan de wederpartij hem tot nakoming van die rechtshandeling aanspreken. Gewoonlijk zal een toekomstig niet-uitvoerend bestuurder of commissaris geen rechtshandelingen namens de vennootschap in oprichting verrichten. Het risico om op grond van art. 2:93/203 lid 2 BW aangesproken te worden, is voor hen in de regel dan ook verwaarloosbaar.