Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.2:2.2 Het Nederlandse recht
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.2
2.2 Het Nederlandse recht
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90880:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 4 december 1998, NJ 1999/549 (Potharst/Sérree); Van Mierlo, WPNR 1984/5696, p. 279.
MvT Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1195; MvA II Inv., Parl. Gesch. BW Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1239; MvA II, Parl. Gesch. Overgangsrecht BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 104.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor het Nederlandse recht bespreek ik ten eerste het eigendomsvoorbehoud en het recht van reclame. Vervolgens komt het verkopersprivilege in het oud BW aan bod. Ondanks de afschaffing van het verkopersprivilege is het zinvol om deze rechtsfiguur te bespreken, omdat de wetgever en Hoge Raad uitgebreid uiteengezet hebben waarom zij door middel van dit verkopersprivilege een voorrangspositie creëerden voor leverancierskrediet. Tot slot bespreek ik de recent ingevoerde Wet uiterste betaaltermijn van zestig dagen voor grote ondernemingen. Deze wet verschaft geen goederenrechtelijk beschermde positie aan de kredietverstrekkende leverancier, maar beperkt de betalingstermijn die de koper kan afspreken met zijn leverancier ter bescherming van de leverancier. In de parlementaire geschiedenis van deze wet wordt terS rechtvaardiging van deze bescherming een aantal opmerkingen gemaakt over het belang van leverancierskrediet voor de economie. Aangezien een dergelijk economisch argument verder slechts te vinden is in de parlementaire geschiedenis bij de oude huurkoopregeling, wijd ik een subparagraaf aan de Wet uiterste betaaltermijn van zestig dagen voor grote ondernemingen en de argumenten die in parlementaire geschiedenis naar voren zijn gebracht.
Het voorbehouden pandrecht wordt niet besproken in dit hoofdstuk. De leverancier kan zich bij de overdracht van de zaak een pandrecht voorbehouden op grond van art. 3:81 lid 1 BW.1 Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever niet in het bijzonder heeft beoogd om een voorrangspositie voor leverancierskrediet te creëren met deze rechtsfiguur, al onderkent de wetgever wel dat deze rechtsfiguur kan worden gebruikt voor dit doel.2 Wegens het ontbreken van argumenten ter rechtvaardiging van de voorrangspositie die het voorbehouden pandrecht tot gevolg heeft, wordt deze rechtsfiguur niet besproken.
2.2.1 Het eigendomsvoorbehoud2.2.2 Het recht van reclame2.2.3 Het verkopersprivilege2.2.4 De Wet uiterste betaaltermijn van zestig dagen voor grote ondernemingen