Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/12.6
12.6 Behartiging van gelijksoortige belangen
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692225:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1991/92, 22486, nr. 3, p. 20. Vgl. Rb. Den Haag 5 september 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10645. Kamerstukken II 1991/92, 22486, nr. 3, p. 20.
Kamerstukken II 1991/92, 22486, nr. 3, p. 20 en 21.
Kamerstukken II 1991/92, 22486, nr. 3, p. 20 en 23.
Schutgens & Sillen 2021, p. 166.
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, NJ 2010/388, m.nt. A.E. Alkema (SGP).
In de huidige wettekst is die eis wel gesteld, zie lid 2. Zie hierover onder meer Van Deursen & Vetzo 2021.
HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756, NJ 2011/473, m.nt. H.J. Snijders (Stichting Baas in Eigen Huis/Plazacasa).
Vgl. Gerechtshof Den Haag 20 juni 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1664(We gaan ze halen). In deze zaak kwam een Stichting op voor niet nader bepaalde asielzoekers in Griekse en Italiaanse opvangcentra, die van de hele procedure geen weet hadden.
Hierover: Schrama & Bosselaar 2021.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 29. Zie ook Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 21. Zie ook Oving 2020, p. 12.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10177. Het arrest is in stand gelaten door HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, RvdW 2022/301, maar de Hoge Raad behoefde over deze vraag niet te oordelen.
Zie bijvoorbeeld de strikte toepassing in Hof Arnhem-Leeuwarden 8 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10177, waarin het hof overwoog dat er geen informatie over de achterban was verstrekt.
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, NJ 2010/388, m.nt. E.A. Alkema (SGP).
Deursen & Vetzo 2021. Inmiddels oordeelde het Gerechtshof Den Haag dat in een specifieke zaak niet vastgesteld kon worden dat de Stichting Viruswaarheid voldeed aan de representativiteitseis. Zie Hof Den Haag 19 april 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:643.
785. Uit art. 3:305a BW volgt dat een stichting of vereniging met volledige rechtspersoonlijkheid een collectieve vordering ten behoeve van bepaalde belangen kan instellen, voor zover zij althans die belangen ingevolge haar statuten behartigt. Dit is een tweeledige eis: niet alleen moeten de te behartigen doelstellingen in de statuten zijn geformuleerd, maar ook moeten activiteiten op dat gebied daadwerkelijk worden ontplooid.1 Of, zoals in de parlementaire toelichting is opgenomen, ‘de vlag moet de lading wel dekken’.2 Die eis gaat overigens niet zo ver dat al activiteiten op het gebied van de belangenbehartiging moeten zijn genomen. Uit de oprichting en de daarvoor vereiste activiteiten kan al volgen dat de organisatie zich de belangen aantrok. Een ad hoc-organisatie kan dus toegang hebben tot de burgerlijke rechter.3 Een beperking ligt wel in de eis die aan de statuten kan worden gesteld. De omschrijving van het te behartigen belang in die statuten mag niet zo ruim zijn dat vrijwel ieder belang daaronder kan vallen. Een algemeen belang-organisatie moet daarom een voldoende specifiek omschreven algemeen belang behartigen, en niet ‘het algemeen belang’ in abstracto. Dit belang moet vervolgens ook in voldoende mate met de ingestelde rechtsvordering worden gediend.4
786. De te behartigen belangen moeten bovendien gelijksoortig zijn. In het SGP-arrest overwoog de Hoge Raad met betrekking tot dit vereiste dat het inhoudt dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Omdat het in die zaak ging om het handhaven van een grondrecht, een algemeen belang van alle burgers in Nederland, werd aan de eis van gelijksoortigheid voldaan.5
787. Opmerking verdient dat door de vroegere wettekst niet was vereist dat de rechtspersoon die in de collectieve actie optreedt, representatief is.6 In een arrest van 26 februari 2010 heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk overwogen dat het feit dat een deel van de personen ter bescherming van wier belangen de collectieve actie strekt, niet instemt met (het doel van) de rechtsvordering of zelfs een tegenovergesteld standpunt inneemt, niet eraan in de weg staat dat wordt geoordeeld dat de vordering strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen.7 In de parlementaire toelichting op de vroegere wettekst is ten aanzien van de eis van representativiteit opgemerkt dat die niet met zoveel woorden is gesteld, maar impliciet is terug te vinden ‘in de verschillende deelaspecten van de regeling’.8 Het werd daarom niet nodig geacht de eis van representativiteit met zoveel woorden op te nemen. Het ontbreken van die representativiteitseis betekende strikt genomen ook dat een belangenorganisatie op eigen initiatief zich een belang kan gaan aantrekken van derden die daarvan misschien helemaal niet gediend zijn. Tegelijkertijd kon een organisatie zich de belangen aantrekken van personen die daartoe zelf niet in staat zijn en die mogelijk niet weten van de mogelijkheden die daartoe in Nederland bestaan.9
788. Thans is in art. 3:305a lid 2 BW de eis van representativiteit met zoveel woorden opgenomen en uitgewerkt. De eis van representativiteit is een uitwerking van de in lid 1 gestelde eis dat de ‘belangen van andere personen’ voldoende zijn gewaarborgd. In lid 2 is opgenomen wanneer dat het geval is en de representativiteit is een onderdeel daarvan. Uit lid 2 volgt dat de representativiteit wordt getoetst aan de hand van het criterium ‘gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen’.
789. De ontvankelijkheidscriteria van het tweede lid zijn nadrukkelijk bedoeld ter bescherming van de personen om wier belangen het gaat. De ontvankelijkheidscriteria vormen een ‘filter’ dat moet voorkomen dat ‘de collectieve (schadevergoedings)actie een vrijplaats wordt voor commercieel ingestelde organisaties, die de belangen van de personen voor wie zij opkomen op de tweede plaats hebben staan’.10 Met de eis van representativiteit gaat het om de ‘mate waarin een belangenorganisatie als representatief voor deze groep gedupeerden kan worden gezien’.11 Een aspect dat daarbij een rol kan spelen is het aantal aangesloten gedupeerden en de omvang van hun vorderingen ten opzichte van het totaal aantal gedupeerden van een massagebeurtenis en de door hen gevorderde schadevergoeding. Met andere woorden: er zal een beeld moeten ontstaan van de groep mensen die door een bepaalde gebeurtenis is getroffen en van de (tot die grotere groep behorende) groep mensen die door de belangenorganisatie wordt vertegenwoordigd. De bedoeling is nadrukkelijk om te voorkomen dat een belangenorganisatie zonder achterban een vordering kan instellen. Zij moet kwantitatief voor een voldoende groot deel van de gedupeerden opkomen.12 Het is daarbij overigens niet uitgesloten dat meerdere belangenorganisaties voldoende representatief zijn. Uit die belangenorganisaties zal de rechter een zogenaamde exclusieve belangenbehartiger kunnen aanwijzen (art. 1018e Rv).
790. Bij een algemeen belang-actie zal de vordering veelal gericht zijn op de bescherming van een ideëel belang, en dus niet strekken tot vergoeding van schade. Bij het tot stand komen van de oorspronkelijke regeling is die mogelijkheid al onder ogen gezien. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is destijds opgenomen dat met een collectieve actie kan worden opgekomen voor belangen die mensen rechtstreeks raken, of die mensen zich vanuit een bepaalde overtuiging hebben aangetrokken. Het doet daarbij niet ter zake dat niet ieder lid van de samenleving evenveel waarde aan deze belangen hecht. Mogelijk is zelfs dat de belangen waarvoor men met de procedure wenst op te komen in botsing komen met de ideeën en opvattingen van andere groeperingen in de samenleving.13 Dat alles werd geen bezwaar geacht.
791. Ik heb hiervóór (randnummer 765) al uitgewerkt dat art. 3:305a lid 6 BW erin voorziet dat de rechter een belangenorganisatie ontvankelijk kan verklaren zonder dat is voldaan aan de vereisten van art. 3:305a lid 2, subonderdelen a-e en lid 5. De vordering moet dan een ideëel doel hebben of een heel beperkt financieel belang, en mag niet strekken tot schadevergoeding. Ook kan een uitzondering op de ontvankelijkheidseisen worden gemaakt wanneer de aard van de vordering van de rechtspersoon als bedoeld in lid 1 of van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, daartoe aanleiding geeft. In veel gevallen zullen procedures die tegen de overheid worden gevoerd een ideëel doel hebben en zal er dus ruimte zijn om deze uitzondering toe te passen. Niet voor niets is in de toelichting op lid 6 opgenomen dat ‘het doel van lid 6 is ruimte te laten voor collectieve acties die in beginsel niet zijn gericht op het verkrijgen van schadevergoeding’.14
792. Het is de vraag of met de uitzondering van lid 6 ook het vereiste van representativiteit overboord kan worden gezet.15 De eis van representativiteit staat immers in de aanhef van lid 2, terwijl de uitzondering betrekking heeft op de subonderdelen a-e. De toelichting spreekt in meer algemene zin van een uitzondering op lid 2, maar dat is te verklaren door het feit dat het oorspronkelijke wetsvoorstel dat ook deed.16 Voor een meer algemene uitzondering op de (alle) ontvankelijkheidseisen pleit dat lid 6 is bedoeld om ruimte te laten voor collectieve acties die niet zijn gericht op schadevergoeding. In dergelijke gevallen zal het vaak niet eenvoudig zijn te bepalen wat de groep mensen is die door een bepaald belang wordt geraakt en voor welk deel daarvan een belangenorganisatie op komt. Daar staat echter het volgende tegenover. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was een uitzondering voorzien op de ‘leden 2, 3 en 5’, dus zonder de beperking ‘subonderdelen a-e’. Volgens dat oorspronkelijke wetsvoorstel had de uitzondering dus ook betrekking op de eis van representativiteit. De latere beperking tot de subonderdelen a-e is in de wettekst terecht gekomen door een amendement.17 In de toelichting op het amendement is te lezen dat het ertoe strekt ervoor te zorgen ‘dat de massaschadeprocedure niet openstaat voor vorderingen door onrepresentatieve rechtspersonen met winstoogmerk zonder band met Nederland’. Strikt naar de tekst van de wet genomen geldt de eis van representativiteit daarmee ook voor ideële belangenorganisaties. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde inmiddels in deze zin.18
793. Een strikte toepassing van de representativiteiteis kan bij ideële belangen echter tot problemen leiden. De representativiteit moet volgens lid 2 immers worden getoetst aan ‘de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen’. Die tweede toetssteen valt bij ideële belangen weg, zodat ‘de achterban’ resteert. Het is nog niet eenvoudig te bepalen hoe moet worden vastgesteld of een belangenbehartiger representatief is, als diens achterban niet kan worden afgezet tegen een grotere groep mensen met eenzelfde belang.19 De al genoemde SGP-zaak maakt dat duidelijk.20 Uit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de Clara Wichmann Stichting niet representatief was voor ‘vrouwen die zich eventueel voor de SGP kandidaat zouden willen stellen’. Die vrouwen wensten immers de actie van de Clara Wichmann Stichting niet (4.3.2 van het arrest). Dat was geen probleem omdat Clara Wichmann zich inzette voor een grondrecht dat van belang is voor alle burgers van Nederland. Dat was ongetwijfeld waar, maar daarmee is toch niet gezegd dat de Clara Wichmann Stichting op die grond representatief was voor alle burgers in Nederland, of in ieder geval voor een groot deel daarvan. Een belangrijk deel van de Nederlanders zal het passieve kiesrecht in algemene zin, en dat voor SGP-leden in het bijzonder, koud laten. En Deursen & Vetzo wijzen erop dat de Stichting Viruswaarheid opkomt ‘voor het behoud van de democratische rechtstaat’.21 Met dat doel zullen maar weinigen in Nederland het oneens zijn, maar toch zou ik niet willen aannemen dat de Stichting Viruswaarheid representatief is voor alle Nederlanders. Zij is ongetwijfeld wel representatief voor haar eigen achterban (als die al is vast te stellen). Maar als dat de toets is, heeft die weinig toegevoegde waarde. Voor iedere overtuiging kan immers wel een achterban worden gevonden.
794. De oplossing moet wat mij betreft van geval tot geval worden gezocht. Het amendement dat heeft geleid tot wijziging van het voorgestelde lid 2 had duidelijk een beperkend doel. De vrees van de indieners van het amendement was dat het voorgestelde lid 6 ‘de deur open(zet) voor vorderingen mét winstoogmerk en/of vorderingen zónder nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer, terwijl een afdoende rechtvaardiging daarvoor ontbreekt’. Die vrees rechtvaardigt niet om iedere ideële actie langs een strenge representativiteits-lat te leggen. Dan zou het kind met het badwater worden weggegooid.