De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.4.3:3.4.3 1997 - Tekenen voor kwaliteit
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.4.3
3.4.3 1997 - Tekenen voor kwaliteit
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949695:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stuurgroep Beroepskwaliteit Leraarschap 1997.
Stuurgroep Beroepskwaliteit Leraarschap 1997, p. 12-13.
Stuurgroep Beroepskwaliteit Leraarschap 1997, p. 17.
Stuurgroep Beroepskwaliteit Leraarschap 1997, p. 20.
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen 1998.
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen 1998, p. 24.
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen 1998, p. 25-26
Stuurgroep Beroepskwaliteit Leraarschap 1997, p. 23.
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen 1998, p. 53-54.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het advies Tekenen voor kwaliteit uit 1997 werd het idee om een beroepsgroep van leraren te vormen en deze beroepsgroep een beroepsstandaard te laten opstellen, verder uitgewerkt.1 Een beroepsgroep was nodig omdat een wezenlijk aspect van het werk van professionals inhoudt dat zij meebeslissen over zaken die hun taakuitvoering wezenlijk aangaan.2 De beroepsgroep moet een volwaardige gesprekspartner worden voor de landelijke overheid zodat beleidsdoelen in samenspraak met leraren tot stand komen. De beroepsstandaard kan daarnaast gaan dienen als een eigen kwaliteitsnorm voor het vak van leraar.3 Ten slotte zou er een register moeten komen waarin de leraren die voldoen aan de kwaliteitsnorm worden opgenomen.4
Het kabinet nam dit advies over. In de voortgangsrapportage van het kabinet stond het leven lang leren van de leraar centraal.5 De leraar zou niet langer na zijn afstuderen ‘voor het leven bekwaam’ moeten zijn, maar hij zou zijn bekwaamheid moeten gaan onderhouden.6 De beroepsgroep heeft hierin een cruciale rol. Zoals geadviseerd in het advies ‘Tekenen voor kwaliteit’ zou er een door de beroepsgroep opgestelde beroepsstandaard moeten komen.7 De beroepsstandaard en het register zouden een vorm van zelfregulering van de beroepsgroep moeten worden. Per 1 oktober 1997 werd hiertoe het Samenwerkingsorgaan Beroepskwaliteit Leraren (SBL) opgericht.8 Het SBL zou de beroepsstandaard en het beroepsregister verder uitwerken, daarnaast zou hij het draagvlak hiervoor onder de leraren moeten versterken. Het SBL is later overgegaan in de Onderwijscoöperatie.
Het kabinet stelde vervolgens voor om te komen tot een proeve van een wet waarin wordt gestreefd naar een samenhangend geheel van wetgeving met betrekking tot het leraarschap.9 Wetgeving die de leraar als individu of als beroepsgroep aanspreekt ontbrak namelijk. De bepalingen in de onderwijssectorwetten richtten zich immers exclusief tot het bevoegd gezag. De nieuwe wetgeving zou zich ook moeten gaan richten op de bescherming van de kwaliteit van de beroepsuitoefening en de kwaliteit van het personeelsbeleid in het onderwijs. Ook zou deze wet kunnen bijdragen aan het aanzien van het leraarschap. In de wet zouden de beroepsorganisatie, de beroepsstandaard en het lerarenregister opgenomen moeten worden. In dit register zouden leraren hun vakkennis gaan bijhouden en registreren.