De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.4.4:3.4.4 1998-2006 - Wet op de beroepen in het onderwijs
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.4.4
3.4.4 1998-2006 - Wet op de beroepen in het onderwijs
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949488:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wet op het leraarschap kwam terug in het regeerakkoord van 1998.1 Daarin was opgenomen dat goed onderwijs valt of staat met de kwaliteit en motivatie van het lerarencorps. Om werken in het onderwijs aantrekkelijker te maken zouden de arbeidsverhoudingen gemoderniseerd moeten worden. De schoolleiding zou daarbij voldoende ruimte moeten krijgen om bij de beoordeling van leraren hun prestaties mee te laten tellen. Ook zou in de wet op het leraarschap het register van leraren geregeld moeten worden. In 2001 werd daarom de Wet beroepen in het onderwijs ingediend 2, welke op 1 augustus 2006 in werking trad.3 Met deze wet werd een grondslag gecreëerd om benoemings- en bekwaamheidseisen op te stellen voor het beroep van leraar. Daarnaast moeten scholen beleid gaan ontwikkelen, zodat leraren hun bekwaamheid kunnen onderhouden. Hierbij werd uitgegaan van het zelfregulerend vermogen van scholen. Zij zouden het beste in staat zijn om de bekwaamheid van hun personeel te onderhouden.4 Het lerarenregister werd nog niet ingevoerd omdat dit niet aansloot bij het centraal stellen van de eigen verantwoordelijkheid van het onderwijsveld.5 Het was ook nog niet gelukt om een gedragen beroepsorganisatie van leraren op te richten. De beroepsstandaard was evenmin onderdeel van het wetsvoorstel.6 Dit zou een zaak zijn van werknemers en werkgevers gezamenlijk.