Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/7.5.2
7.5.2 Instemmen met kandidatuur
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947893:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1915/16, 226, nr. 4, p. 27. Zie ook Van Driel & De Jong 2014, p. 64.
Kamerstukken II 1952/53, 2917, nr. 3, p. 4. Tot dat moment werd door de hoofdstembureaus en beroepscolleges al aangenomen dat een eenmaal gegeven instemmingsverklaring niet kan worden ingetrokken.
Kamerstukken II 1996/97, 25227, nr. 6, p. 2; ABRvS 12 mei 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO9346.
Kamerstukken II 1996/97, 25227, nr. 3, p. 9-10. Verantwoordelijk staatssecretaris Kohnstamm wees daarnaast nog op een tweetal andere voordelen. De kopie van het legitimatiebewijs voorziet in een mogelijkheid om de schrijfwijze van de naam van de kandidaat te controleren en biedt een waarborg tegen lichtvaardige kandidaatstelling.
Ingevolge artikel H 9 lid 1 Kw dient iedereen die op de kandidatenlijst staat, met zijn kandidatuur in te stemmen. Het ontbreken van een instemmingsverklaring is een grond om de betreffende kandidaat van de kandidatenlijst te schrappen.1 Wel krijgt de kandidaat nog de kans het verzuim te herstellen.2 Dit instemmingsvereiste vindt zijn oorsprong in 1918, toen in het kader van het ingevoerde lijstenstelsel werd vastgelegd dat de naam van een kandidaat binnen een kieskring slechts op één lijst voor mocht komen. Om te voorkomen dat de kandidaat tegen zijn wil op een kandidatenlijst werd geplaatst, werd het instemmingsvereiste ingevoerd. Daarnaast, zo stelde de regering, zou het vereiste ook tegengaan dat namen van bekende personen werden gebruikt als ‘stuwkracht’ voor de lijst.3 De namen zouden immers stemmen kunnen trekken, terwijl deze personen waarschijnlijk niet voornemens waren een zetel te aanvaarden.
In grote lijnen is de regeling sinds haar invoering op twee belangrijke uitzonderingen na ongewijzigd gebleven. Nadat zich herhaaldelijk incidenten hadden voorgedaan waarbij kandidaten probeerden hun instemmingsverklaring weer in te trekken, een situatie waarin de Kieswet niet voorzag, werd vanaf 1953 expliciet bepaald dat dit niet was toegestaan.4 Het na inlevering weer ‘openbreken’ van de kandidatenlijst werd ongewenst geacht, omdat de andere kandidaten en de ondertekenaars van de lijst hun instemming van de (in een bepaalde volgorde) op de lijst opgenomen namen hebben laten afhangen.5 Daarnaast is vanaf 1997 vereist dat de instemmingsverklaring vergezeld moet gaan van een kopie van een geldig identiteitsbewijs.6 Het ontbreken van zo een kopie wordt beschouwd als het ontbreken van een instemmingsverklaring en leidt dus tot schrapping van de kandidaat van de lijst.7 Deze eis werd ingevoerd naar aanleiding van het gerucht dat de handtekening van een Gelderse kandidaat voor de Provinciale Statenverkiezingen van 1995 zou zijn vervalst. Het legitimatievereiste moest een extra waarborg bieden voor de daadwerkelijke instemming van de kandidaat met zijn eigen kandidatuur.8
Ook het op de lijst opnemen van kandidaten die niet met hun kandidatuur hebben ingestemd, is aan te merken als ongeoorloofde beïnvloeding van de kiezer. De kiezer krijgt een onjuiste voorstelling van zaken met betrekking tot de kandidatenlijst, die van invloed kan zijn op zijn uiteindelijke keuze. Hem wordt immers valselijk voorgespiegeld dat een bepaalde kandidaat ertoe bereid is een zetel in te nemen, wat de kiezer ertoe kan verleiden om op de betreffende kandidatenlijst te stemmen. Het instemmingsvereiste moet deze situatie voorkomen. Wanneer een persoon niet instemt met zijn of haar kandidatuur, wordt hij of zij van de lijst geschrapt, zodat de kiezer kan kiezen tussen diegenen die zich ook daadwerkelijk hebben willen kandideren.