Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.2.2
6.2.2 De woonplaats van een natuurlijk persoon
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS392816:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
P. Vlaardingerbroek e.a., a.w., blz. 49.
P. Vlaardingerbroek e.a., a.w., blz. 49 en J.H. Nieuwenhuis, C.J.J.M Stolker en W.L. Valk (red.), Burgerlijk Wetboek Tekst & Commentaar. De tekst van de Boeken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 van het BW voorzien van commentaar, Deventer, Kluwer, 2007, blz. 19.
M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, a.w., blz. 28 en P. Vlaardingerbroek e.a., a.w., blz. 49.
HR 19 januari 1880, W 4475. Vgl. HR 21 december 2001, nr. R01/067HR, NJ 2002, 282, Rechtbank Rotterdam 12 februari 1999, AWB 98/450-W2, opgenomen in CRvB 12 december 2000, nr. 99/1683 NABW, JABW 2001/32 en Rechtbank Arnhem 24 augustus 2005, nr. 129404, www.rechtspraak.nl.
CRvB 27 januari 1994, nr. AW 1993/295-298, TAR 1994/60.
Rechtbank Zwolle 19 oktober 2005, nr. 113407/KG ZA 05-415, www.rechtspraak.nl.
Gr. van der Burght en J.E. Doek, Personen- en familierecht, Kluwer, Deventer, 2002, blz. 23.
P. Vlaardingerbroek e.a., a.w., blz. 50. Zie ook CRvB 12 december 2000, nr. 99/1683 NABW, JABW 2001/32 en Rechtbank Arnhem 24 augustus 2005, reeds aangehaald.
C. Asser/J. de Boer, Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht. Personen- en familierecht, Deventer, Kluwer, 2006, blz. 61.
Dat een woonstede duurzaam of permanent moet zijn blijkt o.a. uit Koninklijk besluit (Afd. Geschillen van Bestuur) van 5 september 2005, nr. 05.003162, JWWB 2005/445 en CRvB 8 november 2005, nr. 03/3640 NABW, JWWB 2005/481.
Kantonrechter Delft 2 december 1971, PRG 1973/801. Vgl. CRvB 23 juli 2002, nr. 00/341 NABW, JABW 2002/157.
CRvB 16 mei 1988, AOW 1986/38, RVS 1989/15.
M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, a.w., blz. 28, P. Vlaardingerbroek e.a., a.w., blz. 50 en J.H. Nieuwenhuis, C.J.J.M Stolker en W.L. Valk (red.), a.w., blz. 19. Zie ook Rechtbank Alkmaar 7 december 1999, NABW 99/151, opgenomen in CRvB 23 juli 2002, nr. 00/341 NABW, JABW 2002/157.
President Rechtbank Rotterdam 9 januari 1988, nr. VABW 97/4412, JABW 1998/43.
O.a. CRvB 29 juni 1999, nr. 97/12205 AWB, JABW 1999/118, CRvB 18 maart 2003, nr. 00/3208 NABW, 01/1692 NABW, 01/1718 NABW, www.rechtspraak.nl en CRvB 26 oktober 2004, nr. 02/387 NABW, JWWB 2004/459.
O.a. CRvB 17 oktober 2000, nr. 98/7632 NABW, JABW 2000/190.
O.a. CRvB 18 maart 2003, reeds aangehaald, CRvB 17 oktober 2000, reeds aangehaald en CRvB 3 juni 2003, nr. 006/6404 NABW en 00/6438 NABW, JABW 2003/196.
O.a. CRvB 26 oktober 2004, reeds aangehaald en CRvB 19 februari 2002, nr. 99/2957 NIOAW, JSV 2002/85.
O.a. CRvB 3 juni 2003, reeds aangehaald.
CRvB 17 oktober 2000, reeds aangehaald.
President Rechtbank Roermond 5 juni 1986, nr. KG 72/1986, KG 1986/309.
Koninklijk besluit van 31 augustus 2004, nr. 04.003238, JWWB 2005/353.
CRvB 10 september 2002, nr. 00/4643 NABW, JABW 2002/202.
M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, a.w., blz. 28 en P. Vlaardingerbroek e.a., a.w., blz. 55.
HR 1 november 1937, NJ 1937, 1097.
C. Asser/J. de Boer, a.w., blz. 65 en 66.
Vgl. S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, a.w., blz. 23. Deze vraag stond ter discussie in HR 4 mei 1917, NJ 1917, 706.
Hof Den Haag 1 juni 1942, NJ 1942, 726.
P. Vlaardingerbroek e.a., a.w., blz. 50.
P.A. Stein en A.S. Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2005, blz. 43.
P. Vlaardingerbroek e.a., a.w., blz. 50 en C. Asser/J. de Boer, a.w., blz. 63.
Gr. van der Burght en J.E. Doek, a.w., blz. 23.
Een natuurlijk persoon heeft zijn woonplaats te zijner woonstede of bij gebreke daarvan ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Een woonstede is geen gemeente, maar een bepaald huis waar iemand woont.1 Voor de invulling van het begrip woonstede voor natuurlijke personen is een uitspraak van de Hoge Raad uit 1880 nog steeds van belang.2 In tegenstelling tot nu werd toen in de wet nog gesproken van hoofdverblijf. Het begrip hoofdverblijf is vervangen door het begrip woonstede, omdat met het begrip woonstede beter tot uitdrukking wordt gebracht dat het verblijf bestendig moet zijn.3 Het hoofdverblijf is naar het oordeel van de Hoge Raad de plaats waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij de zetel van zijn fortuin heeft, zijn zaken behartigt en zijn goederen en eigendommen beheert, zodat hij er niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en voor een bepaalde tijd en tevens met het plan, om als dat doel bereikt is, terug te keren.4 Ook een boot5 of een tent6 kan als woonstede worden aangemerkt. Het is derhalve mogelijk dat een woonplaats verplaatsbaar is.7
De vraag naar waar iemand zijn woonstede heeft, moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden.8 Volgens Asser/de Boer dekken het juridische begrip woonplaats en het feitelijk begrip ‘wonen’ elkaar meestal.9
Van belang is met welke plaats iemand een duurzame10 band heeft. Zo besliste de kantonrechter in Delft dat een verloskundige die gedurende korte tijd geregeld op verschillende plaatsen verblijft een zo losse band had met de wisselende verblijfplaatsen dat daaraan geen betekenis kon worden toegekend voor de bepaling van haar woonplaats. Bovendien was de band met de oorspronkelijke woonplaats naar het oordeel van de rechter niet zodanig verbroken dat zij moest worden geacht deze woonstede prijs te hebben gegeven.11 Indien iemand gehuwd is, is de plaats waar deze persoon zich in het desbetreffende gezins- of familieverband het meest betrokken weet, de woonstede. Dat de desbetreffende persoon zich vanwege zijn werkzaamheden vaak in verschillende landen bevindt, doet daar niet aan af.12 Bij het vaststellen waar iemand zijn woonplaats heeft, wordt belangrijke betekenis toegekend aan de plaats waar iemand regelmatig zijn nachtrust geniet.13 Dat de plaats waar men verblijft en slaapt als zodanig onvoldoende is blijkt uit een uitspraak van de president van de Rechtbank Rotterdam. In deze zaak oordeelt de president van de Rechtbank Rotterdam dat het niet zozeer van belang is hoeveel dagen en nachten de betrokkene precies in zijn woning doorbrengt. Veeleer is van belang of verzoeker vanuit deze woning zijn zaken behartigt en zijn activiteiten onderneemt.14 Bij de bepaling van waar iemand zijn woonplaats heeft, wordt verder gekeken naar waar iemands persoonlijke eigendommen zich bevinden,15 of in de koelkast etenswaren aanwezig zijn,16 of het gas-, water- en elektriciteitsverbruik wijst op een duurzame bewoning,17 de plaats waar de post binnenkomt en de administratie wordt gevoerd18 en de telefoonkosten.19 In een geval werd ook van belang geacht dat de klokken in de woning stil stonden.20
De woonplaats wordt vastgesteld met inachtneming van het doel dat de woonplaats heeft binnen de regeling die in het geding is. Zo wijst de President van de Rechtbank Roermond erop dat exploiten uitgereikt moeten worden aan de echtelijke woning te Velden, hoezeer eiser daar niet meer kan en mag verblijven. De rechtszekerheid voor derden die exploiten willen doen uitreiken, is namelijk met duidelijkheid over de woonstede gediend. Voor zijn echtgenote geldt dit echter niet, omdat zij op de hoogte was van het tijdelijk adres van eiser. Daarom diende verweerster exploiten uit te doen brengen op het haar bekende adres van eiser.21
Een tijdelijk verblijf ergens anders brengt niet zonder meer met zich dat de woonstede is prijsgegeven in de zin van art. 1:11 BW.22 De enkele wil om terug te keren is echter niet voldoende.23 Een gevangene of iemand die wordt overgebracht naar een psychiatrische inrichting heeft door het enkele feit dat hij naar de gevangenis respectievelijk de psychiatrische inrichting is overgebracht zijn woonstede niet prijsgegeven. De wil daartoe ontbreekt in beginsel. Wel kunnen er andere omstandigheden zijn waaruit blijkt dat de wil om de woonstede prijs te geven wel aanwezig is. Dit kan blijken uit verkoop van de in eigendom zijnde woning, het opzeggen van de huur of het niet langer betalen van huurpenningen.24 Een eenmaal gevestigde woonplaats kan dus slechts worden verloren door het werkelijk wonen in een andere plaats met de wil daar voortaan zijn woonstede te hebben.25 Verlies van woonstede treedt ook op wanneer de domicilie niet meer bewoonbaar is (bijvoorbeeld door brand) of bij gerechtelijke ontruiming van een persoon ten behoeve van een ander.26
Bij gebreke van een woonstede is de woonplaats de werkelijke verblijfplaats van de natuurlijk persoon. De werkelijke verblijfplaats is pas relevant als iemand geen woonstede heeft. Een woonstede kan ook in het buitenland gelegen zijn. Indien iemand zijn woonstede in het buitenland heeft, maar ook af en toe in Nederland vertoeft, betekent dat dus niet dat hij ook woonplaats heeft in Nederland op grond van art. 1:10, eerste lid, BW, omdat hij in Nederland een werkelijke verblijfplaats heeft.27 Voor de invulling van het begrip werkelijk verblijf is de uitspraak van Hof Den Haag van 1 juni 1942,28 opgenomen in NJ 1942, 726, van belang. In deze zaak stelt Hof Den Haag:
“O. dat deze grief niet opgaat, daar, waar art. 74 lid 2 B.W. weliswaar geen enkele aanwijzing geeft omtrent de vraag of voor het daar bedoelde werkelijk verblijf al dan niet een zekere mate van bestendigheid of continuïteit vereischt is, doch anderzijds toch ook niet gezegd kan worden, dat iemand die geen hoofdverblijf heeft, steeds dáár zijn werkelijk verblijf zou hebben waar hij zich op een bepaald moment bevindt, al zou dit nog zoo kort zijn, van iemand, die geen hoofdverblijf heeft, als werkelijke verblijfplaats moet worden aangenomen de plaats, waar hij vertoeft in dien zin, dat hij op dat oogenblik met die plaats de nauwste relaties bezit als b.v. adres, slaapgelegenheid, geregelde terugkeer, zoodat het de plaats is, waar men hem – zij het ook gedurende een korter periode – in den regel kan bereiken; dat naar het oordeel van het Hof alleen een verblijf van geheel voorbijgaanden aard zonder wettelijke betekenis is, doch dat dit met den erflater i.c. niet het geval was daar hij tijdens zijn verblijf hier te lande aan een vast adres zijn intrek had genomen, waar men hem kon bereiken en hij derhalve hier te lande telkens een werkelijk verblijf heeft gehad.”
Een werkelijke verblijfplaats heeft minder bestendigheid dan een woonstede.29 Volgens Stein en Rueb is bij een enkele overnachting in een hotel geen sprake is van een werkelijke verblijfplaats. Logeert iemand die nergens in de wereld een woonstede heeft, met zekere bestendigheid in dat hotel, waarbij hij bijvoorbeeld een koffer achterlaat in dat hotel dan kan dat voldoende zijn om het hotel tot zijn werkelijke verblijfplaats te bestempelen.30 Doordat een verblijf van voorbijgaande aard niet als werkelijk verblijf kan worden bestempeld, zullen zwervers en landlopers over het algemeen geen woonplaats hebben.31 Ook is het mogelijk dat een persoon zodanige banden heeft met twee plaatsen dat beide plaatsen als woonstede in aanmerking komen. Van der Burght en Doek nemen de stelling in dat de mogelijkheid van een dubbele woonstede moet worden aanvaard, omdat anders derden gedupeerd kunnen worden.32