Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/3.3.2
3.3.2 De maatschappelijke functie van religieuze, spirituele en levensbeschouwelijke instituties
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633669:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Roest 2014, p. 31; De Hart & Dekker 2006, p. 162; Bernts (red.) 2004, p. 156, 166.
Berghuijs 2016, p. 159, 160, 173.
Kronjee 2006, p. 85.
Bernts 2016, p. 54, 56.
Schilderman 2006, p. 398, 399.
De Hart 2014, p. 124; Bernts (red.) 2004, p. 156-170, 205.
De Hart 2013, p. 23; Schilderman 2006, p. 400; Bernts (red.) 2004, p. 165.
Van Bijsterveld 2018, p. 17, 50.
Plaisier 2013, p. 111-127.
Castillo Guerra, Glashouwer & Kregting 2008, p. 8.
De Vries 2013, p. 317-322.
De Hart & Dekker 2006, p. 140, 159, 160.
Bernts (red.) 2004, p. 12.
De Hart 2014, p. 10, 36, 37, 43, 125; Robinson 2014, p. 43, Bernts (red.) 2004, p. 26-28.
De Hart 2013, p. 209, 213.
Bernts 2016, p. 38.
De Hart 2014, p. 9, 35.
Bernts 2016, p. 54.
Philipsen & Vermeulen 2014, p. 46.
Nickolson 2012, p. 28.
Uit: De Hart 2014, p. 37. Te downloaden van https://scp.archiefweb.eu/#archive.
Uit: De Hart 2014, p. 43.
De Jong-van den Berg 2014, p. 8.
De Jong-van den Berg 2014, p. 25.
De Hart 2014, p. 100, 126; De Hart 2013, p. 222.
De Hart 2013, p. 229, 235.
De Hart 2013, p. 229.
De Hart 2013, p. 212, 213, 239; De Hart & Dekker 2013, p. 247.
De Hart 2013, p. 209, 213, 214, 239.
Bernts & Berghuijs 2016, p. 185.
Zingeving wordt als de centrale functie van religieuze organisaties aangeduid.1 In 2015 had nog steeds 70 procent van de Nederlandse bevolking de behoefte af en toe de zin van hun leven te overdenken (in 2006: 79 procent).2 Daarnaast zijn religieuze organisaties belangrijk als bron van sociale cohesie en maatschappelijke inzet waarmee ze een maatschappelijke waarde vertegenwoordigen. Kronjee ziet dan ook in het verdwijnen van institutioneel gebonden religieuze vormen van zingeving een risico op een negatief effect op de sociale cohesie en de vorming van sociaal kapitaal.3 Opgemerkt zij dat in het afgelopen decennium het verlangen bij Nederlanders naar religie als sociaal bindmiddel en gedeeld zingevingskader is afgenomen.4
Andere functies die grote groepen (ook buitenkerkelijken) in de samenleving aan religieuze instituties toeschrijven, zijn identiteitsverschaffing, verankering van morele waarden en rituele vormgeving, zowel bij belangrijke gebeurtenissen in het privéleven als bij publieke rituelen, zoals herdenkingen en verwerking van rampen. Ook is bijdrage aan psychische gezondheid een belangrijke functie, aangezien troost en perspectief die het geloof biedt bij tragiek en de religieuze aanvaarding en duiding van spelingen van het levenslot (contingentie-erkenning of -verwerking5), de gelovigen weerbaarder blijken te maken. Tevens vervullen religieuze organisaties een rol bij gemeenschapsvorming, maatschappelijke hulpverlening, maatschappijkritiek en het debat over de multiculturele samenleving.6 Veel van deze functies worden ook toegeschreven aan andere levensbeschouwelijke organisaties. Religieuze instituties bezitten al lang niet meer het monopolie op zingeving, morele verankering of maatschappelijke hulpverlening.7
Van Bijsterveld wijst in verband met de publieke dimensie van godsdienst op de belangrijke verantwoordelijkheden die identiteitsgedreven organisaties vanuit een maatschappelijke vertaling van hun signatuur op zich nemen op uiteenlopende terreinen als (gezondheids)zorg, cultuur, media of onderwijs, terreinen waarop de overheid ook zelf actief is.8
Plaisier noemt drie kernelementen van de maatschappelijke betekenis van de christelijke kerk als geloofsgemeenschap: (1) in een samenleving die op prestatie en maakbaarheid is gericht, vormt de kerk een plaats waar een sterk accent ligt op het ‘om niet’; (2) ze is een plaats die het eigenbelang overstijgt, een plaats van verzoening en vergeving; en (3) ze is een oefenplaats voor een goed leven, de kerk als ethische leefgemeenschap. In het publieke domein laat de kerk van zich horen wanneer de menselijkheid in gedrang komt, zoals bij de opvang van asielzoekers. Verder komt ze op voor de godsdienstvrijheid, niet alleen voor de eigen aanhangers maar ook voor die van andere godsdiensten. De kerk staat open naar de samenleving, waarbij de zorg (aandacht voor armoede, schulden, eenzaamheid, isolement, vluchtelingenwerk of milieu) zich in de eerste plaats richt op de eigen leden maar daar niet toe beperkt blijft.9 De kerkelijke zorg en hulpverlening voor eigen leden vervult een voorbeeldfunctie voor de samenleving als geheel.10 De Vries zet de verschillen tussen overheidsbijstand en de sociale steun van de kerk op een rijtje. Hij wijst erop dat de eerste vorm van bijstand altijd restrictief van aard is vanwege de wettelijke begrenzing ervan, zijn louter materiële karakter en de financiële beperking wegens ingrijpende bezuinigingen. Hulpvragers (zoals uitgeprocedeerde asielzoekers) die hierdoor buiten de boot komen te vallen, worden opgevangen door de kerk of een particulier initiatief. De meerwaarde van de sociale zorgverlening van de kerk zit in het maatwerk dat de kerk kan leveren tezamen met de bemoedigende steun. Naast deze hulpverlening blijkt uit de kerkordes van diverse kerken dat zij het aanspreken van de overheid en de samenleving tot hun taken rekenen. Zo zien zij zich geroepen om onrechtvaardige maatregelen en structuren aan de kaak te stellen.11
Religieuze organisaties vervullen volgens Dekker en De Hart een brede maatschappelijke betekenis vanwege de rol van moreel geweten, hun belang voor maatschappelijke participatie en hun bijdrage aan de integratie in de samenleving door mensen met elkaar te verbinden. De bindingskracht (zie hierna figuur 3.4.) van deze sociale gemeenschappen waar mensen elkaar regelmatig ontmoeten en een motivatiebron voor maatschappelijke participatie kunnen aanboren, is ondanks de snelle en aanhoudende ontkerkelijking nog steeds groot vergeleken met andere organisaties van civil society. Daarmee vormen deze gemeenschappen belangrijke bronnen van sociaal kapitaal. Juist vanwege de sociale banden die religieuze mensen onderling onderhouden, zijn zij bijzonder actieve sociale kapitalisten.12 Met andere woorden, religieuze betrokkenheid leidt tot sociale betrokkenheid.13 Regelmatige kerkgangers leveren bijvoorbeeld meer dan het dubbele aantal vrijwilligers op dan buitenkerkelijken. Ook bij vrijwilligerswerk dat losstaat van een geloofsgemeenschap zijn kerkgangers oververtegenwoordigd (zie hierna tabel 3.4.). Ze zijn ruim anderhalf keer zo actief in de informele hulpverlening en hebben zich aanzienlijk vaker ingezet voor (inter)nationaal of gemeentelijk belang. Ook betonen ze zich vrijgeviger qua tijd en geld.14 Verder sluiten ze zich vaker aan bij een ideële organisatie. Voor hen spelen ‘prosociale waarden’ in de opvoeding van hun kinderen een grotere rol. De kerken blijken bovendien bij te dragen aan de ontwikkeling van laagopgeleiden en migranten. Het sterke maatschappelijke activisme van de kerkgangers laat zich verklaren door de sociale netwerken die met kerkelijke betrokkenheid gepaard gaan. Dit alles is de uitkomst van internationaal onderzoek, maar blijkt ook voor Nederland op te gaan.15
Doordat er een grote groep mensen is die zonder een binding met kerken gelovig is (‘believing without belonging’), bestaat er, ondanks het krimpend aantal kerkleden, toch draagvlak voor de kerken, zoals de hiervoor besproken ‘vicarious religion’.16 Volgens De Hart fungeren de Nederlandse kerken voor een groot deel van de bevolking als openbare nutsbedrijven, waarvan men gebruik maakt wanneer de behoefte daartoe bestaat, zoals bij ‘biografische overgangsmomenten, nationale gebeurtenissen of collectieve rouwverwerking.17 Opgemerkt zij dat er in het afgelopen decennium een afnemende steun voor die plaatsvervangende rol van religie is waar te nemen.18
Philipsen & Vermeulen zien het maatschappelijke nut van religieuze organisaties, principes en tradities in de positieve functies die ze in de samenleving kunnen vervullen, in de zingeving die ze mogelijk maken, de geborgenheid die ze creëren19 en de overdracht van morele normen die ze faciliteren. Ook worden in de literatuur preventie van radicalisering en het leveren van welzijnsdiensten als positieve maatschappelijke impact van religieuze groeperingen genoemd.20
Figuur 3.4.21
Tabel 3.4.22
Religie heeft een bindende kracht en vormt een bron voor ethiek die mensen waarden biedt waarop zij hun handelen gronden zowel persoonlijk als in relaties binnen de gezins- of familiesfeer, op of in het werk of binnen de bredere kring van de samenleving. Maar ook andere bronnen kunnen mensen daartoe motiveren en inspireren: levensbeschouwing, filosofie, ideologie, literatuur en kunst.23 Volgens Ganzevoort helpen al deze bronnen ons om ons met anderen te verbinden en ons gedrag en onze identiteit vorm te geven.24
Nieuwe spiritualiteit kan verbonden zijn met maatschappelijke betrokkenheid, zoals het zich inzetten voor natuur en milieu. Ze duikt ook op in het bedrijfsleven bij managementtrainingen, in de zorgsector en medische wereld bij holistische therapieën en alternatieve geneeswijzen, in het onderwijs, in de media, en in kerkelijke gemeenschappen.25 Maar door de sterk individualistische kleuring, persoonlijke beleving en het feit dat nieuwe spiritualiteit nauwelijks georganiseerd is, blijft haar impact op de samenleving beperkt en kan ze maar deels als alternatief voor de conventionele religiositeit dienen.26 Holistische spiritualiteit vertoont utilitaristische trekjes: fitheid, gezondheid, zelfvertrouwen, goede relaties, persoonlijke en geestelijke groei zijn geen bijproducten maar de expliciete doelen van de spirituele activiteiten.27
De effecten van sociale banden en netwerken rondom nieuwe spiritualiteit (zoals internetverkeer, bezoek parabeurzen, congressen en bezinningscentra, alsook deelname aan spirituele cursussen en manifestaties) op vrijwilligerswerk, informele hulpverlening of collectieve acties, zijn vergelijkbaar met die van kerkelijke netwerken op maatschappelijke participatie.28 Ook hier wordt de inzet bepaald door de sociale contacten en niet zozeer door de kernopvattingen (inhoud) van de nieuwe spiritualiteit of religie. Belonging blijkt dus een grotere motiverende kracht voor sociale gerichtheid dan believing. Wat dit betreft vertonen aanhangers van spiritualiteit en religie overeenkomsten met leden van sport- en hobbyclubs.29
Nieuwe spiritualiteit voorziet blijkbaar in een behoefte waarvoor een levendige markt bestaat. Bernts & Berghuijs wijzen in dat verband naar het grote aanbod in dienstverlening (ritueelbegeleiders, spirituele coaches en bedrijfsspiritualiteit), cursussen (yoga, meditatie, mindfulness en Tai Chi), spirituele therapieën (reiki en kristaltherapie) en evenementen (Onkruidbeurs en Happinez-festival).30