Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/51
51 De verklaring voor recht is niet per definitie het mindere van de veroordeling tot prestatie
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS399437:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 21 december 2001, NJ 2002, 145 (Ossewaarde/Haanstra).
Tjong Tjin Tai wijst op deze mogelijkheid in het kader van de schadestaatprocedure. Zie Tjong Tjin Tai 2012, nr. 416. Zie bijvoorbeeld ook HR 17 december 2010, NJ 2012, 58 (Lammers/Verhoeven).
Hof Leeuwarden 25 augustus 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ6331. Zie ook een vonnis van de rechtbank Dordrecht van 12 mei 2010, te kennen uit de conclusie voor HR 17 oktober 2014, ECLI: NL:HR:2014:2988.
Rb. Arnhem 16 juli 2008, ECLI:RBARN:2008:BD8698, RN 2008, 83.
HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760 (AIG/X).
Zie hiervoor, nr. 40.
Uit de hiervoor besproken arresten blijkt dat het niet altijd zeker is of een beslissing van de rechter over de rechtsverhouding tussen partijen gezag van gewijsde krijgt. Daar komt bij dat degene die een veroordeling tot prestatie vordert, vooraf natuurlijk niet weet of die vordering ook wordt toegewezen. Dat betekent dat hij vooraf niet zeker weet of de rechter in het vonnis wel beslist over alle aspecten van de rechtsverhouding die bij toewijzing van de vordering dragend zouden zijn. Stel dat X meent dat Y onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en op grond van art. 6:162 BWschadevergoeding vordert. Als de rechter de vordering afwijst omdat het causaal verband tussen de gestelde onrechtmatigheid en de schade ontbreekt, hoeft hij in het vonnis niet te beslissen over de onrechtmatigheid.1 De rechter dient op grond van art. 30 jo. art. 230 lid 1 sub e Rv in het vonnis slechts de gronden te vermelden waarop zijn beslissing rust. Maar zelfs als de rechter overweegt dat Y weliswaar onrechtmatig jegens X heeft gehandeld, maar hij vervolgens de vordering afwijst omdat het causaal verband tussen onrechtmatigheid en schade ontbreekt, dan is niet gezegd dat X in een volgende procedure met succes kan stellen dat de rechter bindend over de onrechtmatigheid heeft beslist. Dat hangt ervan af of de rechter in de volgende procedure meent dat de beslissing over de onrechtmatigheid dragend was voor de geschilbeslissing dat de vordering van X moest worden afgewezen.
Met een vordering die strekt tot verklaring voor recht kan degene die ook een veroordeling tot prestatie vordert, voorkomen dat over bepaalde aspecten van de rechtsverhouding niet wordt beslist of dat aan beslissingen over de rechtsverhouding geen gezag van gewijsde toekomt.2 Als X in de hiervoor besproken situatie naast veroordeling tot vergoeding van schade vordert dat de rechter voor recht verklaart dat Y jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, dan levert de beslissing op die vordering een geschilbeslissing op. Zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, heeft die geschilbeslissing gezag van gewijsde gekregen. De verklaring voor recht is dus niet per definitie het mindere van de veroordeling tot prestatie. Maar als de verklaring voor recht niet het mindere is van de veroordeling tot prestatie, wil dat nog niet zeggen dat de eiser belang heeft bij de vordering. In een arrest van 25 augustus 2009 verklaarde het hof Leeuwarden de eiser nietontvankelijk wegens het ontbreken van belang bij de gevorderde verklaring voor recht toen het hof de gevorderde veroordeling tot prestatie afwees.3 G4 vorderde een verklaring voor recht dat de Hansevast III aansprakelijk was voor de door G4 geleden schade als gevolg van een tekortkoming in de nakoming van een van de verbintenissen uit de overeenkomst. G4 vorderde daarnaast veroordeling van Hansevast III tot betaling van een bedrag van bijna vier miljoen. Het hof wees de gevorderde veroordeling tot prestatie af omdat G4 de overeenkomst niet had ontbonden, terwijl dat voor toewijzing van de vordering wel noodzakelijk was. Met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht besliste het hof dat G4 nietontvankelijk moest worden verklaard omdat zij bij toewijzing geen belang meer had nu de veroordeling tot vergoeding van schade werd afgewezen.
De rechtbank Arnhem wees in een vonnis van 16 juli 2008 de gevorderde verklaring voor recht wel toe hoewel zij de gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade afwees.4 Het ging in dat geval om de vraag of notarissen bij de uitoefening van hun werkzaamheden voor eisers een beroepsfout hadden gemaakt. De eisers vorderden dat de rechter voor recht zou verklaren dat de notarissen toerekenbaar tekort waren geschoten in de nakoming van hun verbintenissen uit de overeenkomst met eisers. Daarnaast vorderden eisers veroordeling tot betaling van schadevergoeding uit hoofde van de toerekenbare tekortkoming. De rechtbank wees de gevorderde veroordeling tot betaling van schadevergoeding af omdat de eisers niet waren geslaagd in het leveren van bewijs dat zij schade hadden geleden doordat de notarissen toerekenbaar jegens hen waren tekortgeschoten. De rechtbank wees de gevorderde verklaring voor recht toe, zonder daarbij in te gaan op de vraag welk belang de eisers nog bij die vordering konden hebben. Uit het vonnis blijkt niet waarom de eisers een verklaring voor recht vorderden naast de veroordeling tot schadevergoeding.
In hoofdstuk 3 kwam aan de orde dat de Hoge Raad in het arrest AIG/X suggereert dat de rechter er ook van dient uit te gaan dat de eiser voldoende belang heeft bij een verklaring voor recht dat de gedaagde aansprakelijk is voor schade als de eiser die verklaring voor recht vordert in combinatie met een veroordeling tot schadevergoeding (al dan niet nader op te maken bij staat), mits de mogelijkheid van schade aannemelijk is.5 Ik heb gesteld dat het mij echter onwaarschijnlijk lijkt dat de Hoge Raad daadwerkelijk heeft bedoeld dit te overwegen.6 In elk geval blijft in het midden wat de toegevoegde waarde is van een verklaring voor recht naast een veroordeling tot schadevergoeding.