Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/9.4.1
9.4.1 Vruchtgebruik
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264485:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN en Scheepvaart Krediet); HR 30 januari 1987, NJ 1987/530, m.nt. W.C.L. van der Grinten (WUH/Emmerig q.q.), r.o. 3.2; Zwalve 2000, p. 37-39 en 43-44; Schuijling 2016, p. 144-147 en 365-373; Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020, nr. 80-81 en 228; Van Bergen 2019, p. 175-176.
Nieuwesteeg 2019, p. 771-782; Van Dijken 2019, p. 426-431; Verheul 2020, p. 321-323; Jansen 2020, p. 324-327; Nieuwesteeg 2020, p. 328-332.
Nieuwesteeg 2019, p. 772-773.
Voor toepassingen, zie later deze paragraaf.
Nieuwesteeg 2019, p. 777-779.
Dit leid ik af uit Nieuwesteeg 2019, p. 774.
Jansen 2020, p. 324-327; Verheul 2020, p. 321-323.
Ik zie geen reden om het fiduciaverbod buiten toepassing te laten op de vestiging van beperkte rechten. Art. 3:98 BW verklaart immers al hetgeen in Afdeling 3.4.2 is bepaald voor overdracht van overeenkomstige toepassing op de beperkte rechten, tenzij de wet anders bepaalt. De enige uitzondering voor de toepasselijkheid van het fiduciaverbod op de vestiging van beperkte rechten is neergelegd in art. 3:227 lid 1 BW, dat de vestiging van beperkte zekerheidsrechten mogelijk maakt. In gelijke zin: Van Oostrom-Streep & Bartels 2012, p. 20; Struycken & Heilbron 2019, in: GS Vermogensrecht, ad art. 3:84 lid 3 BW, nr. 3.1.3. Anders: Nieuwesteeg 2019, p. 781.
HR 19 mei 1995, NJ 1996/119, m.nt. W.M. Kleijn (Keereweer q.q./Sogelease), r.o. 3.4.3. Zie ook HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8241, NJ 2006/151 (BTL Lease/Van Summeren), r.o. 3.4.2. Over de jurisprudentie van de Hoge Raad over zekerheidsoverdracht, zie onder meer Lokin 2007, p. 69-87; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, nr. 119a; Struycken & Heilbron 2019, in: GS Vermogensrecht, ad art. 3:84 lid 3 BW, nr. 3.3; Jansen 2020, p. 326-327.
Rongen 2012, nr. 681 e.v.
Reehuis 2010, nr. 92.
Jansen 2020, p. 324-327.
Verheul 2020, p. 321-323.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, nr. 123; Verheul 2020, p. 323; Jansen 2020, p. 327. Vgl. Nieuwesteeg 2019, p. 781.
Vgl. Jansen 2020, p. 327. Dat een vestiging van een beperkt recht onder ontbindende voorwaarde in zijn algemeenheid mogelijk is (Nieuwesteeg 2020, p. 331-332), biedt evenmin soelaas. Het gaat er immers niet om dat de ontbindende voorwaarde als zodanig is toegestaan, maar dat de ontbindende voorwaarde in dit geval bijdraagt aan het oordeel dat de vruchtgebruiker niet meer krijgt dan een recht dat hem in zijn positie als schuldeiser beschermt. De consequentie van een voorwaarde mag niet in strijd komen met het goederenrechtelijke systeem: Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, nr. 123.
Anders: Nieuwesteeg 2019, p. 774 en 776-777. Nieuwesteeg 2020, p. 330-331. Hij schrijft dat de vruchtgebruiker niet verplicht hoeft te worden de waarde van de vruchten in mindering te brengen op de gesecureerde vordering. Hij zal dit altijd ‘vrij’ doen, ook als hij hiertoe geen verplichting heeft. De schuldeiser heeft er echter geen belang bij de waarde van de vruchten in mindering brengt op de gesecureerde vordering, als hij hiertoe niet verplicht is. Door de waarde van de vruchten in mindering te brengen op de gesecureerde vordering, vermindert de schuldeiser immers de waarde van zijn vordering. De vruchten komen dan ook niet aan hem ten goede, maar aan de schuldenaar. Een schuldeiser die niet verplicht is de vruchten in mindering te brengen op de gesecureerde vordering, zal dan ook altijd de vruchten aan zichzelf ten goede laten komen, en volledige betaling van zijn vordering door de schuldenaar verlangen. Het is bovendien de vraag of een schuldenaar akkoord gaat met de vestiging van een recht van vruchtgebruik als hij niet de (contractuele) toezegging heeft dat de vruchtgebruiker de vruchten in mindering brengt op de gesecureerde vordering. Ten slotte is mogelijk sprake van simulatie als partijen opschrijven dat de vruchten niet in mindering komen op de gesecureerde vordering, maar in werkelijkheid altijd de bedoeling hebben gehad dat de vruchten wel in mindering te brengen op de gesecureerde vordering. Dit betekent dat de verplichting om de vruchten in mindering te brengen op de gesecureerde vordering wél onderdeel wordt van de overeenkomst tussen partijen. Daarmee ligt alsnog strijd met het fiduciaverbod op de loer. Over simulatie, zie Asser/Sieburgh 6-III 2018, nr. 154-155; Van Cassel-Van Zeeland 2020, in: GS Vermogensrecht, ad art. 3:33 BW, nr. 5.10.
Dat zulke beperkingen in strijd zijn kunnen zijn met het fiduciaverbod, steunt op Verheul 2020, p. 322-323; Jansen 2020, p. 324-327.
Verheul 2020, p. 321-322; Jansen 2020, p. 327.
§9.2.5; §9.3.6.
Jansen 2020, p. 324-327; Verheul 2020, p. 323.
Jansen 2020, p. 324-327; Verheul 2020, p. 323.
Jansen 2020, p. 325; Verheul 2020, p. 323. Vgl. Rongen 2012, nr. 681 e.v.
Jansen 2020, p. 326-327; Verheul 2020, p. 323. Vgl. Reehuis 2010, nr. 92.
Verheul 2020, p. 322-323; Jansen 2020, p. 327.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 641 (TM), 650 (MvA II); Van Gaalen 2002, p. 191 e.v. en p. 359; Struycken 2007, p. 396-397; Asser/Bartels & Van Velten 5-2017, nr. 262, 282-283 en 289; Mellema-Kranenburg 2019, ad art. 3:207 BW, nr. 1 en ad art. 3:216 BW, nr. 1; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, nr. 686-688.
Zie hieronder voor het vruchtgebruik op vorderingen en aandelen.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 3 (TM); Struycken 2007, p. 383. In gelijke zin over het recht van erfpacht: Vonck 2013, p. 166-167.
Verheul 2020, p. 322-323; Jansen 2020, p. 327. Zie in het algemeen Parl. Gesch. Boek 5, p. 3 (TM); Struycken 2007, p. 394-398 en 466; Mollema 2013, p. 258-262; Booms 2019, nr. 490-493. Voor een vergelijkbare benadering bij het recht van erfpacht, zie Vonck 2013, p. 166-167 en 171.
§7.3-7.4 en §8.2.4.
Vgl. Struycken 2007, p. 449-450. Volgens Struycken het is onzeker of een verregaande inperking van de bevoegdheden van een beperkt gerechtigde mogelijk is. Zou de mogelijkheid van inperking onbegrensd zijn, dan zou dit ertoe kunnen leiden dat uiteindelijk vrijwel alle denkbare rechten kunnen worden gecreëerd. “Zo worden de facto specifieke typen rechten gecreëerd, die als nieuwe benoemde beperkte rechten een zelfstandige rol in het rechtsverkeer gaan spelen. Men komt dan heel dicht bij de situatie van het middeleeuwse recht, waarin de één een recht op de schaduw van de boom had, de ander op de appelen, weer een ander op de afgevallen bladeren en het dorre hout, en zo voort.” In deze visie zou het creëren van een zelfstandige antichrese bezwaarlijk zijn. Hiermee ontstaat immers een “nieuw” type recht, dat is ontleend aan het Romeinse recht en het (middeleeuwse) Ius commune.
Zie hierover Van Gaalen 2002, p. 220-229; Asser/Bartels & Van Velten 5-2017, nr. 286; Mellema-Kranenburg 2019, ad art. 3:210 BW, nr. 1-3; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, nr. 390.
Zie hierover Van Gaalen 2002, p. 345-349; Asser/Bartels & Van Velten 5-2017, nr. 297; Mellema-Kranenburg 2019, art. 3:210 BW; Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019, nr. 414-420.
Struycken 2007, p. 396-397.
In gelijke zin: Parl. Gesch. Boek 3, p. 641 (TM)en 681 (TM); Asser/Bartels & Van Velten 5-2017, nr. 289 en 332; Mellema-Kranenburg 2019, art. 3:201 BW, nr. 1, ad art. 3:216 BW, nr. 1 en ad art. 3:226 BW, nr. 1; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, nr. 703.
Vgl. Verheul 2020, p. 322-323; Jansen 2020, p. 327.
Vgl. §9.2.4.
Vgl. Verheul 2020, p. 322-323.
Vgl. Jansen 2020, p. 325; Verheul 2020, p. 323. Rongen 2012, nr. 681 e.v.
Vgl. Jansen 2020, p. 326-327; Verheul 2020, p. 323. Reehuis 2010, nr. 92.
Verheul 2020, p. 321-322; Jansen 2020, p. 327. Anders: Nieuwesteeg 2019, p. 777-779.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 3 (TM); Struycken 2007, p. 383; Booms 2019, nr. 490-493; Verheul 2020, p. 321-322.
De volgende opsomming is te vinden bij Nieuwesteeg 2019, p. 777-778. Hij betoogt dat de opgesomde wetsartikelen niet van dwingend recht zijn. Zoals gezegd verschil ik op dit punt met hem van mening. Wel ben ik het met Nieuwesteeg eens dat de verplichting om zekerheid te stellen (art. 3:206 BW) niet van dwingend recht is. Dit wetsartikel geeft immers aan dat de vruchtgebruiker kan worden vrijgesteld van de verplichting om zekerheid te stellen. Zie over art. 3:206 BW ook: Asser/Bartels & Van Velten 5-2017, nr. 271-272; Mellema-Kranenburg 2019, art. 3:206 BW, nr. 2.
Van Gaalen 2002, p. 248-252; Asser/Bartels & Van Velten 5-2017, nr. 271-272; Mellema-Kranenburg 2019, art. 3:205 BW, nr. 1.
Van Gaalen 2002, p. 245-248; Asser/Bartels & Van Velten 5-2017, nr. 275; Mellema-Kranenburg 2019, art. 3:207 BW, nr. 4.
Van Gaalen 2002, p. 269-273; Asser/Bartels & Van Velten 5-2017, nr. 279-279a; Mellema-Kranenburg 2019, art. 3:220 BW, nr. 1.
Van Gaalen 2002, p. 263-265; Asser/Bartels & Van Velten 5-2017, nr. 276; Mellema-Kranenburg 2019, art. 3:209 BW, nr. 1.
Zie bijvoorbeeld Van Oostrom-Streep & Bartels 2012, p. 15-31; Mertens 2012, p. 32-50; Hof Den Haag 15 december 2020; ECLI:NL:GHDHA:2020:2274, r.o. 4.2.
HR 19 mei 1995, NJ 1996/119, m.nt. W.M. Kleijn (Keereweer q.q./Sogelease), r.o. 3.4.3; HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8241, NJ 2006/151 (BTL Lease/Van Summeren), r.o. 3.4.2.
Vgl. Verheul 2020, p. 322-323; Jansen 2020, p. 327.
Hiertoe zouden zij eventueel bij de vestiging van het eerste recht van vruchtgebruik een ‘positieve vruchtgebruikverklaring’ kunnen opnemen: vgl. Van Dijken 2019, p. 431.
§2.5.2; §3.4.2; §4.4.2.
Over enkele voorbeelden van toepassing van een zekerheidsvruchtgebruik op roerende zaken en onroerende zaken, zie Nieuwesteeg 2019, p. 771.
Vgl. HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9136, NJB 2010/189 (Woonark).
Zie hierover Lenselink 2005, p. 198-205; Van Engelen 2014, nr. 8.3.
Hiervoor kwam reeds aan de orde dat art. 35 lid 2 Fw in de weg staat aan de totstandkoming van een bij voorbaat gevestigd pandrecht op vruchten die ontstaan op of na de datum van het faillissement van de pandgever. Dit is in het bijzonder problematisch voor huurvorderingen. Alle huur die verschuldigd is voor huurgenot dat de gefailleerde na datum faillissement verschaft, valt onbezwaard in de failliete boedel.1 Er lijkt echter wel behoefte te bestaan aan de mogelijkheid om zekerheid te verschaffen op vruchten, huurvorderingen in het bijzonder, die in faillissement ontstaan. In de literatuur bestaat aandacht voor de kwestie of het recht van vruchtgebruik in deze behoefte kan voorzien.2 Door een recht van vruchtgebruik te vestigen ten gunste van een schuldeiser, krijgt hij een recht van vruchttrekking. Aan dit recht van vruchttrekking staat art. 35 lid 2 Fw niet in de weg. De getrokken of geïnde vruchten vallen rechtstreeks in het vermogen van de vruchtgebruiker. Zij passeren niet eerst het vermogen van een eventueel gefailleerde vruchtgebruikgever-schuldenaar, zodat diens faillissement niet in de weg staat aan de verkrijging van deze vruchten.3
Een recht van zekerheidsvruchtgebruik biedt mogelijkheden die een pandrecht op vruchtdragende goederen niet biedt. De pandhouder van een vruchtdragend goed is immers niet (goederenrechtelijk) bevoegd dit goed te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Het recht van vruchtgebruik kent deze bevoegdheden wel toe. Een zekerheidsvruchtgebruik op een niet-registergoed kan dus voorzien in de behoefte aan zekerheid op vruchten die zelfstandig zijn geworden tijdens het faillissement van de schuldenaar. Voor te velde staande vruchten of beplantingen heeft het zekerheidsvruchtgebruik evenwel geen meerwaarde, aangezien het pandrecht op te velde staande oogst ook tijdens faillissement tot stand kan komen (art. 35 lid 2 Fw).
Te betwijfelen valt of een zekerheidsvruchtgebruik ook voorziet in een behoefte, als het rust op registergoederen. Zoals hiervoor gezegd, biedt het beheersbeding immers aan de hypotheekhouder de mogelijkheid om het hypotheekobject te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Verdedigbaar is bovendien dat de beherend hypotheekhouder zich door verrekening kan verhalen op vruchten van het hypotheekobject die in faillissement zijn ontstaan. Zoals gezegd is dit laatste echter onzeker. Mocht blijken dat de hypothecair beheerder zich niet op in faillissement ontstane vruchten kan verhalen, dan kan een zekerheidsvruchtgebruik hierin mogelijk voorzien.4
Nieuwesteeg stelt voor om het recht van vruchtgebruik een zeer beperkte zekerheidsfunctie te geven: de schuldeiser krijgt het recht om de vruchten te innen, maar geen recht om het object te gebruiken en geen aan het recht van vruchtgebruik verbonden verplichtingen.5 De zekerheidsvruchtgebruiker dient de getrokken of geïnde vruchten in mindering te brengen op de door het vruchtgebruik gesecureerde vordering.6 Jansen en Verheul twijfelen aan de geldigheid van het door Nieuwesteeg voorgestelde recht van vruchtgebruik (nader aan te duiden als: ingeperkt zekerheidsvruchtgebruik). Deze constructie is volgens hen mogelijk nietig wegens strijd met het fiduciaverbod en het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten.7 Bij hun opvatting sluit ik mij aan.
Fiduciaverbod
Ten eerste is de kans groot dat het ingeperkte zekerheidsvruchtgebruik in strijd komt met het fiduciaverbod. Het fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW) verbiedt een overdracht tot zekerheid: een rechtshandeling die ten doel heeft een goed tot zekerheid over te dragen, is geen geldige titel voor de overdracht van dit goed. Het fiduciaverbod is op grond van art. 3:98 BW ook van toepassing op de vestiging van een beperkt recht.8
In het arrest Keereweer q.q./Sogelease overwoog de Hoge Raad dat een titel die strekt tot een werkelijke overdracht een geldige titel voor eigendomsoverdracht is. Een titel strekt tot werkelijke overdracht als zij de strekking heeft een goed zonder beperking op de verkrijger te doen overgaan, en deze aldus meer te verschaffen dan enkel een recht op het goed, dat hem in zijn belang als schuldeiser beschermt. De Hoge Raad sloot bovendien niet uit dat “onder bijkomende omstandigheden waaruit moet worden afgeleid dat de bedoeling tot ontduiking van de in artikel 3:84 lid 3 BW vervatte regel voorzat, van ongeldigheid uit hoofde van die bepaling sprake kan zijn”.9
In de literatuur10 bestaat discussie over de kwestie wanneer een titel de strekking heeft een goed zonder beperking op de verkrijger te doen overgaan, en deze aldus meer te verschaffen dan enkel een recht op het goed, dat hem in zijn belang als schuldeiser beschermt. Volgens Rongen is geen sprake van een werkelijke overdracht, indien de verkrijger uitsluitend een zekerheidsbelang krijgt bij het aan hem overgedragen goed. Dit betekent dat de overdracht alleen ongeldig is als hij er alleen toe strekt de verkrijger te beschermen tegen het risico van schade in geval van wanprestatie door de schuldenaar.11 Volgens Struycken en Heilbron dreigt nietigheid wegens strijd met het fiduciaverbod, zodra de titel tot eigendomsoverdracht ertoe strekt de positie van de schuldenaar ten opzichte van de fiduciair eigenaar te versterken. Als voorbeelden noemt hij een regulering van de verhaalsbevoegdheden van de zekerheidseigenaar en de opname van een ontbindende voorwaarde van aflossing van de schuld in de levering aan de zekerheidseigenaar. In zulke gevallen beoogt de eigendomsoverdracht aan de verkrijger enkel bevoegdheden toe te kennen die voor een zekerheidsgerechtigde uit een zekerheidsrecht voortvloeien.12 Reehuis meent dat geen sprake is van een werkelijke overdracht indien de overdracht de zelfde strekking heeft als de vestiging van een recht van pand of hypotheek: het creëren van een aan derden tegenwerpbaar verhaalsrecht.13 Er lijkt wel consensus te bestaan dat van een werkelijke overdracht geen sprake is, als vervreemder en verkrijger de overdracht zo inkleden dat de bevoegdheden van de verkrijger vrijwel dezelfde zijn als die van een pand- of hypotheekhouder.14
Met Jansen15 en Verheul16 meen ik dat het risico bestaat dat een dergelijk recht in strijd is met het fiduciaverbod. De vestiging van een ingeperkt zekerheidsvruchtgebruik leidt er niet toe dat dit goed (het recht van vruchtgebruik) zonder een beperking toekomt de zekerheidsvruchtgebruiker. Zij verschaft de vruchtgebruiker enkel een recht dat hem beschermt in zijn belang als schuldeiser.
De beperkingen die aan het recht van vruchtgebruik voor de zekerheidsvruchtgebruiker kleven zijn de volgende. Allereerst wordt het recht van vruchtgebruik beperkt in zijn bestaan, doordat het vruchtgebruik bestaat onder de ontbindende voorwaarde van het tenietgaan van de door het vruchtgebruik gesecureerde vordering.17 Deze beperking wordt niet weggenomen door het zekerheidsvruchtgebruik te laten bestaan voor een tijdsduur die gelijk is aan de looptijd van de gesecureerde vordering.18 Ten tweede is de zekerheidsvruchtgebruiker beperkt in de wijze waarop hij zijn recht van vruchtgebruik mag uitoefenen.19 Hij mag het in vruchtgebruik gegeven goed niet gebruiken en hij is verplicht de waarde van de door hem in eigendom verkregen vruchten in mindering te brengen op de door het vruchtgebruik gesecureerde vordering.20 Ten derde zijn bij de vestiging van een zekerheidsvruchtgebruik de wettelijke verplichtingen die rusten op de vruchtgebruiker uitgesloten.21
Deze beperkingen gezamenlijk maken dat de zekerheidsvruchtgebruiker in feite niets meer krijgt dan de bevoegdheden uit een openbaar pandrecht op de burgerlijke vruchten van het zekerheidsobject.22 De zekerheidsvruchtgebruiker mag immers niet meer dan de vruchten innen en hun waarde in mindering brengen op de gesecureerde vordering. Zodra de gesecureerde vordering tenietgaat, gaat ook het ingeperkte zekerheidsvruchtgebruik teniet. Dit zijn ook belangrijke kenmerken van het openbaar pandrecht op vorderingen. Het enige wezenlijke verschil tussen het ingeperkte zekerheidsvruchtgebruik en het pandrecht, is dat de zekerheidsvruchtgebruiker zich kan verhalen op vruchten die zijn ontstaan tijdens het faillissement van de schuldenaar. Deze mogelijkheid bestaat bij het pandrecht niet. Het faillissement verhindert immers de totstandkoming van een pandrecht.23 Dit is echter niet een verschil in bevoegdheden van pandhouder en vruchtgebruiker. Met Jansen en Verheul24 betwijfel ik dan ook of dit ene verschil voldoende is om aan strijd met het fiduciaverbod te ontkomen.
De bevoegdheden uit een ingeperkt zekerheidsvruchtgebruik komen evenwel niet volledig overeen met die uit het pandrecht op natuurlijke vruchten (roerende zaken). Een pandrecht op de vruchten geeft het recht om die vruchten executoriaal te verkopen als de pandgever in verzuim is. De zekerheidsvruchtgebruiker dient zijn gesecureerde vordering echter op de waarde van de vruchten te verhalen, ook voordat de pandgever in verzuim is. De manier waarop de vruchtgebruiker dit doet is vrij: hij hoeft de vruchten niet executoriaal te verkopen. Hij kan ook met de schuldenaar afspreken dat de vruchten bij hem verblijven. De bevoegdheden van uit het zekerheidsvruchtgebruik zijn dus ruimer dan die uit het pandrecht op natuurlijke vruchten. Dit is een argument dat het ingeperkte zekerheidsvruchtgebruik wel geldig is. Toch meen ik met Jansen en Verheul25 dat ook een ingeperkt zekerheidsvruchtgebruik dat rust op een zaak die natuurlijke vruchten voortbrengt, mogelijk in strijd komt met het fiduciaverbod. Het ingeperkte zekerheidsvruchtgebruik kent aan de schuldeiser immers uitsluitend een zekerheidsbelang toe. Het ingeperkte zekerheidsvruchtgebruik is er uitsluitend op gericht de gesecureerde vordering gedeeltelijk te voldoen uit de vruchten van het object. Dit beschermt de schuldenaar tegen het risico van schade in geval van wanprestatie door de schuldenaar.26 De vestiging van het ingeperkte zekerheidsvruchtgebruik betekent bovendien een versterking van de positie van de schuldenaar ten opzichte van de vruchtgebruiker. De vruchtgebruiker oefent zijn vruchttrekkingsrecht immers uit ten behoeve van de schuldenaar. De vruchten komen aan de schuldenaar ten goede, doordat de vruchtgebruiker hen in mindering brengt op de gesecureerde vordering.27 Het ingeperkte zekerheidsvruchtgebruik strekt er ten slotte enkel toe om een aan derden tegenwerpbaar verhaalsrecht op de vruchten te creëren.28
Gesloten stelsel goederenrechtelijke rechten
Ten tweede is het zekerheidsvruchtgebruik mogelijk in strijd met het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten.29 Door de bevoegdheden van de zekerheidsvruchtgebruiker zodanig in te perken, beantwoordt het gecreëerde recht niet meer aan de wettelijke definitie van het recht van vruchtgebruik. Het zekerheidsvruchtgebruik kent aan de vruchtgebruiker geen gebruiksrecht toe. Voorts is het recht van de zekerheidsvruchtgebruiker om de vruchten te genieten in grote mate beperkt. De zekerheidsvruchtgebruiker is immers verplicht om deze vruchten in mindering te brengen op de door het zekerheidsvruchtgebruik gesecureerde vordering. Art. 3:201, 3:207 en 3:216 BW omschrijven het recht van vruchtgebruik als het recht om te gebruiken en de vruchten te trekken. Deze bevoegdheden vormen de kern van het recht van vruchtgebruik. Dit vloeit voort uit de parlementaire geschiedenis en de literatuur.30 De wet voorziet niet in algemene31 mogelijkheden om deze bevoegdheden te beperken of uit te sluiten. Dit betekent dat art. 3:201, 3:207 en 3:216 BW van dwingend recht zijn.32 Het wezen van het recht van vruchtgebruik, de bevoegdheid om te gebruiken en de vruchten te trekken, ontbreekt. De kans bestaat dus dat een ingeperkt zekerheidsvruchtgebruik niet kwalificeert als een recht van vruchtgebruik, en in beginsel dus geen goederenrechtelijke werking heeft.33 In dat geval komt slechts een overeenkomst tot stand tussen vruchtgebruikgever en vruchtgebruiker.
Voor de stelling dat het ingeperkte zekerheidsvruchtgebruik in strijd is met het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten, pleit bovendien een rechtshistorische uitleg. In het (gerecipieerde) Romeinse recht kwalificeerde een ingeperkt zekerheidsvruchtgebruik niet als vruchtgebruik, maar als een ander beperkt recht: de zelfstandige antichrese. Op grond van de zelfstandige antichrese kon de zekerheidsgerechtigde de vruchten van het zekerheidsobject te trekken en in mindering brengen op de gesecureerde vordering. Dit is gelijk aan de bevoegdheden die zijn beoogd met een zekerheidsvruchtgebruik. Verdedigbaar is dan ook dat een zekerheidsvruchtgebruik niet kwalificeert als vruchtgebruik (zie de vorige alinea), maar wel als zelfstandige antichrese. Aan een zelfstandige antichrese komt evenwel geen goederenrechtelijke werking toe. De zelfstandige antichrese gold in de Nederlanden als een beperkt recht tot 1838, op grond van de Code civil.34 Met de invoering van het OBW is het beperkte recht van zelfstandige antichrese afgeschaft. Wilden partijen een recht van zelfstandige antichrese creëren, dan had zo’n recht slechts verbintenisrechtelijke werking. Hierin heeft het BW van 1992 geen wijziging gebracht. Dit maakt onzeker of aan een zekerheidsvruchtgebruik goederenrechtelijke werking toekomt.35
Tegenargument: de onmogelijkheid van gebruik van vorderingen en aandelen
Hiervoor stelde ik, in navolging van de parlementaire geschiedenis en de literatuur, dat de gebruiksbevoegdheid van de vruchtgebruiker behoort tot de kern van het recht van vruchtgebruik. Door deze gebruiksbevoegdheid uit te sluiten, beantwoordt het gevestigde recht dus niet meer aan één van de wezenskenmerken van het recht van vruchtgebruik. De gebruiksbevoegdheid van de vruchtgebruiker kan echter voor twee typen goederen worden uitgesloten: vorderingen en aandelen. Op grond van art. 3:210 lid 1 BW kan de vruchtgebruiker in en buiten rechte nakoming vorderen van een in vruchtgebruik gegeven vordering. Bovendien is de vruchtgebruiker inningsbevoegd. Het is echter mogelijk om in de akte van vestiging anders te bepalen.36 Op grond van art. 2:88 en 2:197 BW is de vruchtgebruiker in beginsel niet bevoegd om stemrecht uit te oefenen over in vruchtgebruik gegeven aandelen. Deze bevoegdheid komt hem slechts toe, als dit in de akte van vestiging is bepaald.37 Dit betekent dat het bij vorderingen en aandelen mogelijk is om aan de vruchtgebruiker een recht van vruchttrekking (inning van dividend of rente) toe te kennen, maar geen gebruiksbevoegdheid. Verdedigbaar is dus dat het gebruiksrecht niet tot het wezen van het recht van vruchtgebruik behoort.
Ik zou menen dat de regelingen voor vorderingen en aandelen een uitzondering vormen op de hoofdregel dat het gebruiksrecht behoort tot het wezen van het recht van vruchtgebruik. Uit art. 3:201 jo. 3:207 BW blijkt dat de gebruiksbevoegdheid in het algemeen tot de kern van het recht van vruchtgebruik behoort. Deze artikelen voorzien niet in een algemene mogelijkheid om de gebruiksbevoegdheid van de vruchtgebruiker uit te sluiten. Deze mogelijkheid bestaat slechts bij uitzondering voor het recht van vruchtgebruik op vorderingen of aandelen. Struycken38 verdedigt een vergelijkbaar standpunt voor de kwestie of het mogelijk is de bevoegdheid tot vruchttrekking van de vruchtgebruiker uit te sluiten. Art. 3:226 BW voorziet in deze mogelijkheid voor het recht van gebruik en bewoning. Struycken beschouwt art. 3:226 BW als een lex specialis van vruchtgebruik. Buiten het door art. 3:226 BW bepaalde is het volgens hen niet mogelijk om de gebruiksbevoegdheid van de vruchtgebruiker uit te sluiten, omdat dit in strijd is met het wezen van het recht van vruchtgebruik.39 Naar mijn mening geldt mutatis mutandis hetzelfde voor art. 3:210 lid 1 BW en art. 2:88 en 2:197 BW. Dit wil zeggen dat het niet mogelijk is om de gebruiksbevoegdheid van de vruchtgebruiker geheel uit te sluiten, met uitzondering van in de wet geregelde gevallen.
Een uitgebreider zekerheidsvruchtgebruik?
Hiervoor heb ik betoogd dat een ingeperkt zekerheidsvruchtgebruik nietig kan zijn wegens strijd met het fiduciaverbod en het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten. Dit ingeperkte zekerheidsvruchtgebruik heeft een beperkte omvang: de duur is gekoppeld aan de gesecureerde vordering, op de vruchtgebruiker rusten geen verplichtingen, het gebruiksrecht is uitgesloten en het recht van vruchttrekking is beperkt, in de zin dat de vruchten in mindering dienen te komen op de gesecureerde vordering. Door een recht van vruchtgebruik ruimer in te vullen, verkleinen partijen kans dat een rechter vaststelt dat dit recht nietig is wegens strijd met het fiduciaverbod of het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten. Ik stel drie manieren voor om het zekerheidsvruchtgebruik te verruimen. Deze verruimingen maken naar mijn mening aannemelijk dat een zekerheidsvruchtgebruik geldig zal zijn. Door deze verruimingen voorziet het zekerheidsvruchtgebruik in een mogelijke behoefte van de schuldeiser om het in vruchtgebruik gegeven object te gebruiken. Het zekerheidsvruchtgebruik kan bovendien nog steeds voorzien in de behoefte van de schuldeiser om de vruchten te trekken.
Allereerst dient de vruchtgebruiker de bevoegdheid te krijgen om het in vruchtgebruik gegeven object te gebruiken. Zoals gezegd, behoort de bevoegdheid tot gebruik tot de kern van het recht van vruchtgebruik. Door de vruchtgebruiker een gebruiksbevoegdheid te geven, verkleinen partijen bovendien de kans dat het zekerheidsvruchtgebruik in strijd is met het fiduciaverbod. De pandhouder en de hypotheekhouder zijn immers niet zonder meer bevoegd het onderpand te gebruiken. Verdedigbaar is bovendien dat een vruchtgebruiker meer krijgt dan alleen een zekerheidsbelang als hij het vrije gebruik krijgt van het in vruchtgebruik gegeven object.
Voorts vergroot de kans op geldigheid van een zekerheidsvruchtgebruik als de vruchtgebruiker de bevoegdheid krijgt tot vruchtgenot, zonder verplicht te zijn de waarde van de vruchten in mindering te brengen op de gesecureerde vordering.40 Met andere woorden: de kans op geldigheid van een zekerheidsvruchtgebruik wordt groter, als dit recht geen aflossingsfunctie41 heeft. Zonder aflossingsfunctie komen de vruchten ten goede aan de vruchtgebruiker, en niet aan de schuldenaar-vruchtgebruikgever. Dit betekent dat de vruchtgebruiker het onbeperkte vruchtgenot krijgt.42 Hierdoor vergroot de kans dat het gevestigde vruchtgebruik beantwoordt aan het wezen van het recht van vruchtgebruik, en dus verenigbaar is met het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten. Bovendien verkleint de kans dat het zekerheidsvruchtgebruik in strijd is met het fiduciaverbod. Als de vruchtgebruiker de waarde van de vruchten niet in mindering brengt op de gesecureerde vordering, heeft hij geen direct verhaalsbelang meer bij het recht van vruchtgebruik.43 Het vruchtgebruik strekt er niet langer toe een aan derden tegenwerpbaar verhaalsrecht op de vruchten te creëren op de vruchten.44 Bovendien verdwijnt de gelijkenis met het pandrecht op vorderingen als de vruchtgebruiker de geïnde burgerlijke vruchten niet in mindering hoeft te brengen op de gesecureerde vordering.45
Ten slotte meen ik met Jansen en Verheul dat de vruchtgebruiker steeds gebonden is aan de verplichtingen die de wet hem oplegt. Deze verplichtingen zijn van dwingend recht. Zij kunnen niet bij de vestiging van het zekerheidsvruchtgebruik buiten toepassing worden verklaard.46 Wettelijke bepalingen laten immers niet toe dat partijen aan een beperkt recht een andere inhoud geven, tenzij uit de wet zelf het tegendeel blijkt. Zij kunnen een beperkt recht slechts invullen voor zover de wet zich van een regeling onthoudt.47 Dit betekent48 dat de zekerheidsvruchtgebruiker jaarlijks een notariële beschrijving van de goederen dient te maken (art. 3:205 BW)49, de zorg van een goed vruchtgebruiker in acht dient te nemen (art. 3:207 lid 3 BW)50, de gewone lasten en herstellingen dient te dragen en te verrichten (art. 3:220 lid 1 BW)51, het in vruchtgebruik gegeven object dient te verzekeren (art. 3:209 BW)52.
Met bovengenoemde uitbereidingen van het zekerheidsvruchtgebruik blijft nog één bezwaar over: het feit dat het recht van vruchtgebruik niet langer kan bestaan dan de gesecureerde vordering. Ik acht het echter onwaarschijnlijk dat deze beperking op zichzelf voldoende is om te spreken van strijd met het fiduciaverbod. De beperking in levensduur heeft een zekerheidsdoeleinde. Niet iedere overdracht of vestiging die een zekerheidsdoeleinde heeft, wordt evenwel geraakt door het fiduciaverbod.53 Strijd met het fiduciaverbod doet zich voor als de vruchtgebruiker niet meer krijgt dan een recht dat hem in zijn belangen als schuldeiser beschermt, zodat geen sprake is van een werkelijke vestiging van een recht van vruchtgebruik.54 Als de zekerheidsvruchtgebruiker bevoegd is om het in vruchtgebruik gegeven object te gebruiken en de vruchten ervan te trekken, zonder de waarde van de vruchten in mindering te moeten brengen op de gesecureerde vordering, heeft hij meer gekregen dan een recht dat hem in zijn belangen als schuldeiser beschermt. Dat het vruchtgebruik slechts bestaat zolang de gesecureerde vordering bestaat, beperkt de zekerheidsvruchtgebruiker weliswaar in de tijd waarin hij zijn recht kan uitoefenen, maar gedurende die tijd kan hij zijn recht van vruchtgebruik uitoefenen naar eigen inzicht.
Zekerheidsvruchtgebruik met rentefunctie: mogelijke toepassingen
Het zekerheidsvruchtgebruik dat ik voorstel, stuit vermoedelijk op enkele praktische bezwaren in de financieringspraktijk. Het is dan ook de vraag of behoefte bestaat aan zo’n zekerheidsvruchtgebruik.55 De eigenaar verliest zijn gebruiksbevoegdheid aan de vruchtgebruiker en de zekerheidsvruchtgebruiker is gebonden aan de verplichtingen die de wet hem oplegt. Voorts eindigt ieder vruchtgebruik bij de dood van de vruchtgebruiker, of uiterlijk dertig jaar na vestiging ten gunste van een rechtspersoon (art. 3:203 leden 2 en 3 BW). Dit kan problematisch zijn als de gesecureerde vordering een langere looptijd heeft dan dertig jaar of het leven van de vruchtgebruiker. Willen schuldeiser en schuldenaar dat de schuldeiser na het einde van het zekerheidsvruchtgebruik bevoegd blijft tot vruchtgebruik, dan zullen zij een nieuw vruchtgebruik moeten vestigen.56 Ten slotte kan voor de toepassing van dit zekerheidsvruchtgebruik hinderlijk zijn dat de vruchten niet in mindering komen op de gesecureerde vordering. De vruchten verminderen de schuld van de vruchtgebruikgever-schuldenaar niet. Hij heeft dus geen voordeel bij de vestiging van een zekerheidsvruchtgebruik ten gunste van zijn schuldeiser-zekerheidsvruchtgebruiker. Dat de vruchten niet in mindering komen op de gesecureerde vordering, staat evenwel niet aan toepassing voor zekerheidsdoeleinden in de weg. Het gerecipieerde Romeinse recht kan hier dienen als inspiratiebron.
Als de schuldenaar zekerheid wil stellen voor een rentedragende schuld, zou hij in ruil voor verlaging (eventueel tot 0%) van de rente een zekerheidsvruchtgebruik kunnen vestigen op één van zijn goederen. Deze toepassing lijkt op de antichrese met rentefunctie uit het (gerecipieerde) Romeinse recht. In het (gerecipieerde) Romeinse recht had een recht van zelfstandige antichrese één van twee functies: een aflossings- of een rentefunctie. Doordat de vruchten van het zekerheidsvruchtgebruik niet in mindering komen op de gesecureerde vordering, bestaat er geen mogelijkheid om het zekerheidsvruchtgebruik een aflossingsfunctie te geven.57 De rentefunctie blijft echter mogelijk. Zij hield in dat de waarde van de vruchten en het gebruik van het zekerheidsobject niet in mindering kwam op de gesecureerde vordering. De waarde van het gebruik en de vruchten kwam echter in de plaats van een rentevergoeding over de gesecureerde vordering. De zekerheidsgerechtigde ontving geen rente over zijn vordering. In plaats van rente kon hij het zekerheidsobject gebruiken en de vruchten ervan trekken.
Als het recht van vruchtgebruik rust op een registergoed, biedt dit recht aan de schuldeiser de mogelijkheid het registergoed al bij de vestiging van het recht van vruchtgebruik in beheer te nemen. Dit zou op grond van het beheersbeding bij het hypotheekrecht niet mogelijk zijn. De hypotheekhouder kan het beheersbeding immers niet inroepen bij vestiging, maar pas als sprake is van een ernstige tekortkoming van de hypotheekgever. De zekerheidsvruchtgebruiker zou zijn recht van vruchtgebruik dus bijvoorbeeld kunnen aanwenden om al voordat sprake is van een ernstige tekortkoming het zekerheidsobject te verhuren en de verschuldigde huurvorderingen te innen. Als de schuldeiser op hetzelfde object ook een hypotheekrecht heeft, zou hij zijn bevoegdheden uit het vruchtgebruik ook kunnen inzetten om de waarde van het hypotheekobject al te verhogen voordat de hypotheekgever jegens hem een ernstige tekortkoming begaat. Het is overigens wel de vraag of de financieringspraktijk er behoefte aan heeft om de schuldenaar al voor verzuim het beheer van het hypotheekobject te ontnemen en toe te kennen aan de zekerheidsgerechtigde.
Een zekerheidsvruchtgebruik op niet-registergoederen biedt de zekerheidsgerechtigde mogelijkheden die het pandrecht niet biedt. Zoals gezegd, heeft de pandhouder in beginsel geen recht van pandgebruik. Hij heeft geen goederenrechtelijk recht om het pandobject te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Het recht van vruchtgebruik biedt de pandhouder deze mogelijkheid wel. Een recht van vruchtgebruik op een leaseauto biedt de vruchtgebruiker de mogelijkheid om de verschuldigde leasetermijnen te innen.58 Door een vruchtgebruik te vestigen op een woning die niet kwalificeert als een registergoed, zoals een woonark59, krijgt de zekerheidsgerechtigde de mogelijkheid deze woning te beheren. Evenzo zou de zekerheidsvruchtgebruiker een in zekerheid gegeven niet-teboekgesteld schip of luchtvaartuig kunnen beheren. Een vruchtgebruik op een IE-recht biedt de zekerheidsgerechtigde de mogelijkheid om licenties voor dit recht uit te geven en exploitatie-inkomsten te innen.60