Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.4.3
4.4.3 Criterium (i): in redelijkheid beroepen
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661363:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Scheltema in NJ 1979, 533, punt 4 dat de Hoge Raad dit in beginsel aanneemt, nu de Hoge Raad geen enkele bijzondere omstandigheid noemt. Vgl. Van Leijenhorst in BNB 2002/45.
Aanvankelijk beschouwde de Hoge Raad de uitleg (betekenis, reikwijdte en inhoud) van een beleidsregel een feitelijke kwestie waarover slechts de feitenrechter zich kon uitlaten, maar sinds het Leidraadarrest (BNB 1990/194) gelden behoorlijk bekend gemaakte beleidsregels als recht in de zin van art. 79 RO, zodat de Hoge Raad de uitleg ervan kan toetsen.
Beleid moet zo kunnen worden uitgelegd dat het van toepassing is op degene die zich erop beroept. Vgl. HR 12 augustus 2011, nr. 10/02949, BNB 2011/248, r.o. 3.3.4; HR 11 oktober 2013, nr. 11/03761, BNB 2014/6 (met name r.o. 4.4, 5.4), HR 19 oktober 2018, nr. 17/02816, BNB 2019/80, r.o. 2.4.
Vgl. Gorissen 2008, p. 79. HR 1 maart 2002, nr. 36 908, BNB 2002/168, r.o. 3.6.2; HR 12 oktober 2012, nr. 11/04974, BNB 2012/316, r.o. 3.2.2; HR 9 juli 2010, nr. 09/00448, BNB 2010/275, r.o. 3.5.2.
HR 22 maart 2000, nr. 35 405, BNB 2001/418, r.o. 3.2.
Vgl. Happé 1996, p. 121; Conclusie A-G Wattel 28 mei 2020, nr. 19/05501, V-N 2020/29.38.1 (met verwijzingen naar relevante rechtspraak); Over (contra legem) uitleg van beleidsbesluiten Van Kesteren 2013.
Vgl Conclusie A-G Wattel 28 mei 2020, nr. 19/05501, V-N 2020/29.38.1, punt 1.9. Zie ook HR 04 mei 1983, nr. 21 488, BNB 1983/216.
Soms is de tekst van een beleidsregel onduidelijk. Volgens de Hoge Raad geldt dat als redelijkerwijs over de uitleg kan worden getwijfeld, in de zin dat zowel een uitleg in overeenstemming met de wet als in strijd met de wet verdedigbaar is, aan een uitleg in overeenstemming met de wet de voorkeur moet worden gegeven (HR 18 juni 1980, nr. 19 840, BNB 1980/222); Happé 1996, p. 121-124. In HR 26 juni 2020, nr. 19/05091, V-N 2020/31.18 geeft de Hoge Raad aan de hand van doel en strekking een ‘redelijke uitleg’ van het (informele, niet gepubliceerde) navorderingsbeleid van de Belastingdienst, die in casu in het voordeel van belanghebbende uitpakt.
Van der Voort Maarschalk in NTFR 2017/1570 is kritisch op de eenzijdige uitleg van een beleidsregel in de conclusie bij de zaak nu de A-G volgens hem slechts één uitleg geeft en geen aandacht besteedt aan een andere (verdedigbare) uitleg.
Zie HR 28 juni 2019, nr. 17/05548, NTFR/1752 r.o. 2.3; Happé 1996, p. 122.
Scheltema in NJ 1979, 533, punt 4, ad (b).
Scheltema in NJ 1979, 533, punt 4.
Volgt (impliciet) uit BNB 1978/135-138. Zie Scheltema in NJ 1979, 533, punt 4; Happé 1996, p. 124; Gorissen 2008, par. 2.11.3.
Bij de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij beleidsregels geldt als eerste criterium dat de burger zich in redelijkheid mag beroepen op verwachtingen die hij heeft ontleend aan een beleidsregel. Wat houdt dit – niet gespecificeerde1 – criterium in? Het gaat erom dat het beleid van toepassing moet zijn op de burger (heeft het beleid betrekking op zijn geval?). In dat kader is van belang hoe de beleidsregel moet worden uitgelegd: welke betekenis, inhoud en reikwijdte heeft het beleid?2
De situatie van de burger moet dus onder het bereik van het beleid vallen.3 Dat is mijns inziens een logische eis voor te honoreren vertrouwen. Als een beleidsregel ziet op andere omstandigheden dan die bij de belastingplichtige, kan hij geen vertrouwen ontlenen aan de beleidsregel.4
Zo beslist de Hoge Raad in BNB 2001/418 dat een belastingplichtige geen beroep kon doen op vertrouwen ontleend aan een brief van de staatssecretaris, indien die brief betrekking heeft op andere gevallen dan de situatie van belastingplichtige (“Uiteraard kan belanghebbende dan niet aan die brieven het vertrouwen ontlenen dat dat onderscheid vervolgens niet zal worden gehanteerd.”5).
Om te bepalen of de beleidsregel van toepassing is op de burger die zich erop beroept, moet de betekenis van de beleidsregel worden bepaald. Volgens de jurisprudentie geldt bij de uitleg van het beleid een sterk geobjectiveerde benadering.6 Bij de uitleg van beleidsregels moet de rechter ervan uitgaan, dat belastingplichtigen deze hebben moeten begrijpen zoals deze naar de objectieve beschouwing van de rechter redelijkerwijs dienen te worden opgevat.
Oftewel, niet het (subjectieve) perspectief van de burger, niet het (subjectieve) perspectief van de beleidsregelgever of de inspecteur7, maar het (objectieve) perspectief van de rechter8 bepaalt hoe de beleidsregel moet worden opgevat.9 Voor de burger is – om zich in redelijkheid te kunnen beroepen op een beleidsregel – niet relevant of de beleidsregel in strijd is met de wet. Evenmin is relevant of de burger er in werkelijkheid mee bekend is dat de beleidsregel strijdig is met de wet.10 Scheltema maakt in zijn commentaar bij de Doorbraakarresten duidelijk dat de Hoge Raad voor wat betreft beleid dus geen wetskennis van burgers verlangt:
‘De burger behoeft dus de wet niet te kennen noch er rekening mee te houden dat daarin iets anders staat: hij kan zich beroepen op een resolutie in strijd met de wet.’11
Opvallend is dat de Hoge Raad op dit punt dus een minder terughoudende koers vaart dan bij voorlichting, waarbij wetskennis wél (indirect) relevant is in het kader van niet-kenbaarheidsvereiste (paragraaf 4.3.3). Bovendien is bij beleid – anders dan bij voorlichting – niet van belang of de burger werkelijk vertrouwen heeft ontleend aan die beleidsregel.12 Verder geldt – anders dan bij voorlichting – het dispositievereiste niet als criterium.13