Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.4.3.4
11.4.3.4 Blanco stemovereenkomsten
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS370012:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Anders: Nieuwe Weme 2004, p. 238, zonder toelichting waarom een stemovereenkomst reeds tot acting in concert moet leiden en waarom hij een onweerlegbaar vermoeden aangewezen acht. Zie over weerlegbaarheid van het vermoeden § 11.5.2.
Vgl. Rebers 2007, p. 364.
In zoverre verschilt deze situatie niet van samenwerkende aandeelhouders die niets op papier hebben gezet, zie uitgebreid hierover § 6.2.2.
Naar Belgisch recht vormt een stemovereenkomst met als doel een duurzaam gemeenschappelijk stembeleid acting in concert (zie eerder § 5.2.2). Een belangrijk discussiepunt in België is evenwel of voor het ontstaan van een biedplicht nodig is dat dit beleid ziet op het beheer van de doelvennootschap. Dit element uit de Transparantierichtlijn (Richtlijn 2004/109, gewijzigd door Richtlijn 2013/50/EU) zou moeten worden “ingelezen” omdat de wetgever de acting in concert-regels van het verplicht bod van die uit de transparantiewetgeving heeft afgeleid. In die zin: Peeters 2007, p. 106 en Dieux/Willermain 2007, p. 42. Anders: Van Gerven/De Crombrugghe 2008, p. 224, De Bauw 2007, nr. 57-60, Nelissen Grade 2008, p. 232-233 en De Wulf 2008, p. 58 e.v. en vooral p. 66.
Gelet op de ratio van het verplicht bod is dit in de rechtspraak beperkt tot duurzame en significante coördinatie van vennootschapsrechtelijke beïnvloedingsmogelijkheden (zie eerder § 5.3.2.2 over het verschil).
Het enkele feit dat aandeelhouders samenwerken is onvoldoende voor een biedplicht wegens acting in concert; doorslaggevend is steeds ten aanzien van welke onderwerpen wordt samengewerkt (zie uitgebreid hoofdstuk 7). Maar, wat nu als aandeelhouders – al dan niet bewust – niet specificeren ten aanzien van welke punten zij samenwerken? Naar mijn mening kan niet reeds daaruit de intentie worden afgeleid om overwegende zeggenschap te verwerven.1
Een argument voor een biedplicht bij blanco stemovereenkomsten zou kunnen zijn dat het risico bestaat dat aanvankelijk marginale samenwerking uitmondt in meer fundamentele samenwerking met vergaande invloed op andere aspecten van het ondernemingsbeleid.2 Betoogd kan worden dat dit risico niet bij de minderheidsaandeelhouders moet worden gelegd. Dit zou ervoor pleiten om bij wijze van “risicotoerekening” – eventueel weerlegbaar – te vermoeden dat partijen bij een blanco stemovereenkomst overwegende zeggenschap beogen. In mijn ogen gaat dit te ver. Niet moet worden vergeten dat het bestaan van een overeenkomst slechts een van de indicaties is voor de intentie van partijen. Daarnaast zal ook aan de hand van uitlatingen en feitelijke gedragingen getoetst moeten worden.3 Pas als uit het geheel blijkt dat partijen de controle beogen (zie eerder hoofdstuk 6 en 7), is een biedplicht op zijn plaats.
Als argument kan ook worden gewezen op het feit dat een dergelijk vermoeden in verschillende lidstaten wordt gehanteerd. In de onderzochte landen bestaan te dien aanzien evenwel grote verschillen. Zo kwalificeert in sommige van de onderzochte landen het sluiten van een stemovereenkomst met als doel een duurzaam gemeenschappelijk beleid te voeren als acting in concert (België en Frankrijk). In andere landen leiden bepaalde stemovereenkomsten ongeacht het achterliggende doel tot een biedplicht (Duitsland en Italië). Het onderscheid vertroebelt omdat in sommige landen in weerwil van de letterlijke wettekst toch wordt aangenomen dat de samenwerking controle-gerelateerd of op zijn minst van wezenlijke invloed op de desbetreffende vennootschap moet zijn (België4 en Duitsland5). Gelet op de onduidelijke toepassingsvoorwaarden en de grote diversiteit daarbinnen acht ik invoering van een dergelijke regel niet wenselijk.