De concern(genoten)enquête
Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/11.12:11.12 Tussenconclusie
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/11.12
11.12 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85921:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk zijn tien vragen behandeld. Hieronder volgen, op kernachtige wijze, de antwoorden daarop:
Bij een concern als zodanig zou een enquête moeten kunnen worden uitgelokt.
De al dan niet alhier woonachtige (rechts)personen die alleen of gezamenlijk een substantieel belang in het uitstaande aandelenkapitaal van een groepsmaatschappij van het te enquêteren concern hebben dan wel daaraan gelijk te stellen zijn, zouden een concernenquêteverzoek moeten kunnen doen.
De aandeelhouder van de moedermaatschappij zou (van tevoren) zijn bezwaren kenbaar moeten maken aan haar bestuur. Dit geldt ook voor een aandeelhouder van een dochtermaatschappij, indien sprake is van een personele unie tussen hun besturen. Is daar geen sprake van, dan zouden de bezwaren (eerst) aan het bestuur van die dochtermaatschappij kenbaar moeten worden gemaakt en, indien tevergeefs, aan dat van haar moedermaatschappij.
Er zou moeten blijken van gegronde redenen om te twijfelen aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken van het concern als zodanig.
Het verzoekschrift zou gericht moeten zijn op het concern als zodanig.
Het concern als zodanig zou in de enquêteprocedure (als gerekestreerde) moeten worden opgeroepen en in de gelegenheid moeten worden gesteld om verweer te voeren.
In beginsel zouden alle groepsmaatschappijen hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de onderzoekskosten en de zekerheidsstelling daarvoor.
Het bestuur van de moedermaatschappij zou (in ieder geval) het onderzoeksverslag (in concept) moeten ontvangen en zou daaruit mededelingen aan derden mogen doen.
Het concern zou als rechtssubject sui generis moeten worden beschouwd en bijgevolg zou (de verantwoordelijkheid voor gebleken) wanbeleid van het concern moeten kunnen worden vastgesteld.
Binnen het hele concern zouden voorzieningen moeten kunnen worden getroffen.