Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/10.4.1
10.4.1 De aanwijzingsprocedure
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS442472:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rodgers 2013, p. 68, 76 en 217. Dit volgt ook uit de uitspraken in EWHC 22 april 2002, Aggregate Industries v English Nature [2003] Env LR 3, 83 en EWCA 26 mei 2004, R. (Fisher) v English Nature [2004] Viv 663 [2005] 1. W.L.R. 147.
Reid 2009, p. 180.
Rodgers 2013, p. 68-69.
Dit document is te raadplegen op www.jncc.gov.uk/page-2303.
Zie in algemene zin: Guidelines for selection biological SSSIs, part B, p. 30-31 en meer specifiek in part C, Chapter 14 Birds. Appendix A, p. 247-249.
Rodgers 2013, p. 73-76.
Art. 28, lid 4 WCA 1981.
Art. 11, lid 1 jo. art. 10, lid 1 jo. art.10a, lid 1 Nbw 1998.
EWCA 31 januari 1996 R v. Nature Conservancy Council ex parte London Brick Property Ltd [1996] Env. LR 1 en 26 mei 2004, R. (Fisher) v English Nature [2004] Viv 663 [2005] 1. W.L.R. 147
In vergelijkbare zin: Rodgers 2013, p. 70.
12 oktober 1994, R. v Nature Conservancy Council, ex p. Bolton Metropolitan Borough Council [1995] Env. L.R. 237; [1996] J.P.L. 237.
De onderliggende vraag in dergelijke gevallen is of NE op een goede manier van haar discretionaire bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Zie bijvoorbeeld EWHC 22 april 2002, Aggregate Industries v English Nature [2003] Env LR 3, 83.
EWHC 26 januari 2007, R(Western Power Distribution Investments Limited) v Countryside Council for Wales, 50 Admin.
EWCA 26 mei 2004, R. (Fisher) v English Nature [2004] Viv 663 [2005] 1. W.L.R. 147 en EWHC 26 januari 2007, R(Western Power Distribution Investments Limited) v Countryside Council for Wales, 50 (Admin).
EWHC 12 oktober 1994, R. v Nature Conservancy Council, ex p. Bolton Metropolitan Borough Council [1995] Env. L.R. 237; [1996] J.P.L. 237.
Dat blijkt wanneer de (gemiddelde) omvang van de SSSI’s wordt vergeleken met de (gemiddelde) omvang van European sites [www.natureonthemap.org.uk].
Rodgers 2013, p. 77-78.
De wijze toepassing van art. 28B WCA 1981 wordt uiteengezet in het English Nature SSSI Notification Policy Statement, p. 5 onder punt 24. Dit document is te vinden op de website www.english-nature.org.uk. Dit document houdt het midden tussen een MvT en een beleidsregel.
De wijze toepassing van art. 28C WCA 1981 wordt uiteengezet in het English Nature SSSI Notification Policy Statement, p. 6 onder punt 25. Dit document is te vinden op de website www.english-nature.org.uk.
De wijze van toepassing van art. 28D wordt uiteengezet in het English Nature Policy Statement on the Denotification of SSSIs, p. 1-3, punten 4, 6-9. Dit document is te vinden op de website www.english-nature.org.uk. Dit document houdt het midden tussen een MvT en een beleidsregel.
Sites of Special Scientific Interest vormen in Engeland, maar ook in andere delen van het Verenigd Koninkrijk, het belangrijkste gebiedsbeschermende instrument. De aanwijzing en de bescherming van SSSI’s dient niet alleen nationale doelstellingen maar wordt ook gebruikt voor het implementeren van internationale verplichtingen zoals het Verdrag van Ramsar, de Vrl en de Hrl. Om die reden worden alle European sites ook aangewezen als SSSI.1 De eerste SSSI’s zijn aangewezen in 1949.2 In 2011 telde Engeland 4119 verschillende SSSI’s en deze gebieden beslaan 8% van het grondgebied van Engeland. De grote van de aangewezen gebieden loopt sterk uiteen: van 22.700 ha (Mid-Wales) tot 3 ha (River Tyne Ovingham SSSI).3
Ingevolge de Wildlife and Countryside Act 1981 (hierna: WCA 1981) berust in Engeland de bevoegdheid voor aanwijzen van SSSI’s bij de beheersorganisatie Natural England. Kortheidshalve worden in het vervolg van deze paragraaf de termen ‘aanwijzing’ en ‘aanwijzingsbesluit’ gehanteerd. De aanwijzing van een gebied als SSSI is mogelijk vanwege het voorkomen van bepaalde flora en fauna en/of de aanwezigheid van een bepaalde geologische en/of fysiologische gesteldheid.4 Bij de aanwijzing spelen ecologische motieven een belangrijke rol. Hierbij maakt NE gebruik van de ‘Guidelines for selection of biological SSSIs’.5 Dit JNCC-document bevat onder meer selectiecriteria voor (potentiële) SSSI’s. Daarbij moeten zowel nationale als internationale verplichtingen in acht worden genomen. In de handleiding is een koppeling aangebracht tussen de verplichtingen die voortvloeien uit de Vrl en de Hrl en de aanwijzing van SSSI’s.6 De aanwijzing van SSSI’s bestaat uit twee stappen: de bekendmaking van de aanwijzing van een gebied als SSSI, en de bevestiging van het aanwijzingsbesluit.7 De eerste stap bestaat uit de (verplichte) bekendmaking van het aanwijzingsbesluit aan de rechthebbenden van gronden en gebouwen in het betrokken gebied, de relevante (lokale) planningsautoriteiten en de Minister van DEFRA. Dit gebeurt door het toezenden van een kopie van het aanwijzingsbesluit aan betrokkenen en de publicatie van de aanwijzing in een lokale krant.8 Een aanwijzingsbesluit bestaat uit een aantal verplichte onderdelen. In de eerste plaats de motivering voor het aanwijzen van het betrokken gebied als SSSI. In de tweede plaats een lijst met activiteiten die mogelijkerwijs schadelijk zijn voor de habitats en soorten in het betrokken gebied. Een aanwijzingsbesluit bevat ook een visie op het benodigde (natuur)beheer. Dit is een uiteenzetting van de maatregelen die nodig zijn om habitats en soorten te beschermen.9
Het initiatief voor de aanwijzing van een gebied als SSSI ligt bij NE. De WCA 1981 voorziet niet in een wettelijke inspraakprocedure voor belanghebbenden. Ter vergelijking: in Nederland is het verplicht om bij de aanwijzing van een natuurmonument of een Natura 2000-gebied de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) te doorlopen. 10In Engeland kunnen belanghebbenden, zoals rechthebbenden van gronden en bouwwerken in het betrokken gebied, bezwaar aantekenen na de bekendmaking van een aanwijzingsbesluit. De bezwaartermijn bedraagt tenminste drie maanden. NE heeft negen maanden de tijd om op een ingediend bezwaar te reageren. Indien belanghebbenden het aanwijzingsbesluit aanvechten wordt deze tijd door NE gebruikt voor het verrichten van nader onderzoek te verrichten, het consulteren van betrokken partijen en het weerleggen van de ingebrachte bezwaren.11 De tweede stap van de aanwijzingsprocedure bestaat uit de beoordeling van de ingediende bezwaren. NE kan het aanwijzingsbesluit schrappen, wijzigen of (ongewijzigd) handhaven.12 NE kan een aanwijzingsbesluit ondanks bezwaren van belanghebbenden handhaven. In dat geval kunnen belanghebbenden na voorafgaand verlof beroep instellen bij het High Court.13 De Engelse rechters hechten om begrijpelijke redenen veel belang toe aan de motivering van het aanwijzingsbesluit. Indien het niet of onvoldoende duidelijk waarom een gebied is aanwezen als SSSI gaat het besluit in het kader van de ‘juridische review’ onderuit.14 In de praktijk bestaat met enige regelmaat discussie met betrekking tot de vraag of een gebied terecht is aangewezen als SSSI.15 Daarbij mag de vraag of het daadwerkelijk mogelijk is om een gebied te beschermen geen rol spelen. De aanwezigheid van bepaalde habitats en/of soorten is doorslaggevend. Bij de beoordeling van geschillen over de aanwijzing van een SSSIs speelt de ‘Guidelines for selection of biological SSSIs’ een belangrijke rol. Het bevoegd gezag (NE) is echter niet in absolute zin gebonden aan de inhoud van deze handleiding. 16In de jurisprudentie is uitgemaakt dat NE bij de aanwijzing van SSSI’s beschikt over beoordelingsvrijheid.17 In een aantal gevallen is door de rechter geconcludeerd dat een gebied ten onrechte was aangewezen als een SSSI.18 Zoals eerder gesteld verschilt de omvang van SSSI’s sterk per gebied. Het betreft zowel grote (duizenden hectaren) als kleine gebieden (bijvoorbeeld een enkel perceel bloemrijk grasland) maar gemiddeld genomen zijn SSSI’s veel kleiner dan European sites.19
Het is mogelijk om onder bepaalde voorwaarden een bestaande SSSI uit te breiden of de aanwijzing als SSSI in te trekken.20 De uitbreiding van een SSSI kan worden gerealiseerd door het toevoegen van land of door vergroting van een bestaande SSSI.21 In het eerste geval gaat om het toevoegen van één of enkele percelen grond aan een bestaande SSSI ten behoeve van de bescherming van habitats of soorten. De habitats en soorten waarvoor een gebied is aangewezen en de bestuursafspraken (management scheme’s) blijven ongewijzigd. Het toevoegen van land kan bijvoorbeeld plaatsvinden om rond een natuurgebied een bufferzone te realiseren.22 Bij de vergroting van een SSSI gaat het om een uitbreiding van het grondgebied in verband met de aanwijzing van nieuwe habitats en/of soorten, een aanpassing van het natuurbeheer of een wijziging van de lijst met activiteiten die mogelijkerwijs schadelijke gevolgen hebben voor de betrokken SSSI.23 In (zeer) uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden bestaat de mogelijkheid om de SSSI-status van een gebied in te trekken (de zogenaamde ‘denotification’).24 Dit is mogelijk indien blijkt dat de habitats en soorten bij nader inzien niet in het betrokken gebied voorkomen (of voorkwamen) of niet meer in het gebied voorkomen. Het is niet toegestaan om een aanwijzingsbesluit in te trekken als herstel mogelijk is, of als de achteruitgang van habitats en soorten het gevolg is van menselijke activiteiten. Deze ‘spelregels’ zijn vergelijkbaar met de Europese regels voor het terugdraaien van en/of de aanpassing van de begrenzing van een European site. Dit is alleen toegestaan op basis van ecologische criteria.25