Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/11.12.2:11.12.2 Bewijsproblemen betreffende de merkbare mededingingsbeperkende gevolgen
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/11.12.2
11.12.2 Bewijsproblemen betreffende de merkbare mededingingsbeperkende gevolgen
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS578728:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eilmansberger ziet de oplossing voor de handhaving van niet-hardcore restricties vooral in het verhelderen van de bewijslastregel zoals neergelegd in artikel 2 Verordening 1/2003 en het ruimhartiger aannemen van prima facie bewijs.1 Ik zie het nut van de eerste oplossing niet in. De bewijslastregel hoeft niet verhelderd te worden nu artikel 2 van Verordening 1/2003 duidelijk genoeg is.2 De partij die beweert dat een inbreuk op artikel 81 lid 1 EG of artikel 82 EG is gepleegd, draagt de bewijslast van die inbreuk (de eiser). De onderneming of ondernemersvereniging die zich op artikel 811id3 EG beroept, dient daarentegen de bewijslast te dragen dat aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan (de gedaagde). Bij toepassing van de artikelen 82 EG en 24 Mw dient door de eiser ten eerste gesteld en bewezen te worden dat sprake is van een machtspositie en dient vervolgens gesteld en bewezen te worden dat de machtspositie wordt misbruikt.
De tweede oplossing zou wel een stimulerend effect kunnen hebben op de privaatrechtelijke handhaving van niet-hardcore restricties. Het ruimhartiger aannemen van prima facie bewijs zal ertoe leiden dat de bewijslast wordt omgekeerd ten gunste van de eiser. De gedaagde zou als gevolg van de omkering van de bewijslast de relevante feiten nader dienen te analyseren. Indien de gedaagde dient aan te tonen waarom de overeenkomst niet onder het verbod van artikel 81 lid 1 EG valt, kan het belemmerende effect dat de economische analyses met zich meebrengen voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht worden verzacht. Een dergelijke omkering van de bewijslast is tegelijkertijd dubieus. De gedaagde dient bij een omkering van de bewijslast aan te tonen dat de niet-hardcore restrictie niet tot merkbare negatieve gevolgen voor de concurrentie leidt.
Een derde oplossing om de privaatrechtelijke handhaving van niet-hardcore restricties te stimuleren, is gelegen in het verminderen van de kosten van een civiele procedure voor de gelaedeerden van een schending van het mededingingsrecht.3