Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.10.1
10.4.10.1 Systematiek van model van voorlopige preventieve maatregelen versus schorsingsmodel
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het schorsingsmodel kent, zodra een bevel tot voorlopige hechtenis eenmaal is afgegeven en is geschorst, niet of nauwelijks (aanvullende) waarborgen tegen onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming. Dit onderstreept het belang dat de rechtmatigheid en niet-willekeurigheid van het onderliggende bevel tot voorlopige hechtenis stevig is gewaarborgd, hetgeen echter welhaast onmogelijk is vanwege de inherente onverenigbaarheid van een rechtmatig bevel tot voorlopige hechtenis, waarvoor is vereist dat sprake is van een strafvorderlijke grond die de “onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vordert”, met de schorsing onder niet-vrijheidsbenemende voorwaarden (zie wederom knelpunt 1 in par. 10.3.1.1).
In het voorgestelde nieuwe model krijgt de rechter in gevallen waarin sprake is van een verdenking van een ernstig strafbaar feit, ernstige bezwaren en een strafvorderlijke grond om af te wijken het uitgangspunt dat de verdachte zijn proces in volledige vrijheid mag afwachten, direct de beschikking over een scala aan voorlopige preventieve maatregelen om te waarborgen dat voorlopige hechtenis enkel als uiterste maatregel wordt bevolen. Bij het bepalen van de te bevelen maatregelen neemt de rechter als vertrekpunt dat de minderjarige verdachte in beginsel zijn proces in vrijheid en met zo min mogelijk beperkingen en dwang mag afwachten. Hiermee sluit de invalshoek van het model van voorlopige preventieve maatregelen beter aan bij de uitgangspunten van het internationale en Europese kader van kinder- mensenrechten inzake voorlopige hechtenis van minderjarigen dan het huidige schorsingsmodel, waarin bij de schorsingsbeslissing de reeds bevolen voorlopige hechtenis als vertrekpunt van de besluitvorming heeft te gelden. In het schorsingsmodel dient de rechter in voornoemde gevallen immers eerst de voorlopige hechtenis te bevelen alvorens hij via de schorsing minder ingrijpende, niet-vrijheidsbenemende middelen (lees: schorsingsvoorwaarden) kan inzetten; een invalshoek die zich moeizaam laat verenigen met het kinder- en mensenrechtelijke uitgangspunt dat het bevelen van voorlopige hechtenis een uiterste middel moet zijn (zie knelpunt 3 in paragraaf 10.3.1.1).
De systematiek van het huidige schorsingsmodel heeft bovendien tot gevolg dat de schorsing onder voorwaarden een aanzuigende werking kan hebben op het bevelen van voorlopige hechtenis. Sommige rechters blijken bereid te zijn om de criteria voor het bevelen van voorlopige hechtenis soepeler te interpreteren als zij voornemens zijn de voorlopige hechtenis direct te schorsen onder voorwaarden en zij deze voorwaarden wenselijk achten. Het in het in het huidige artikel 67a, eerste lid (b) jo. tweede lid Sv neergelegde criterium dat voorlopige hechtenis enkel kan worden bevolen als sprake is van een in deze bepaling opgenomen strafvorderlijke grond die de “onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vordert”, wordt zelfs per definitie illusoir als de rechter het bevel vervolgens direct schorst onder niet-vrijheidsbenemende voorwaarden. Hiermee werkt het schorsingsmodel het veronachtzamen van de wettelijke gronden in de hand, waarmee het in wezen bijdraagt aan onrechtmatige bevelen tot voorlopige hechtenis. Dat een dergelijk bevel vanwege de schorsing niet direct leidt tot de feitelijke vrijheidsbeneming van de verdachte, doet hier niet aan af. Nu het schorsingsmodel meebrengt dat de schorsing “te allen tijde” door de rechter kan worden opgeheven, kan het onrechtmatig afgegeven bevel tot voorlopige hechtenis immers uiteindelijk toch ten grondslag komen te liggen aan de feitelijke vrijheidsbeneming van de minderjarige verdachte (zie knelpunt 1 in par. 10.3.1.1).1
Door met het voorgestelde model van voorlopige preventieve maatregelen afstand te nemen van de systematiek van het schorsingsmodel, verdwijnt de aanzuigende werking van de schorsing onder voorwaarden op het bevelen van voorlopige hechtenis. Hierdoor krijgt het criterium dat strafvorderlijke gronden de onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vorderen effectief betekenis als waarborg dat voorlopige hechtenis van minderjarigen enkel wordt bevolen in gevallen waarin – en zolang – op strafvorderlijke gronden niet kan worden volstaan met niet-vrijheidsbenemende maatregelen, hetgeen aansluit bij het kinder- en mensenrechtelijke uitgangspunt dat voorlopige hechtenis van minderjarigen enkel als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur wordt toegepast.