Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.10.4:10.4.10.4 Risico op aanzuigende werking?
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.10.4
10.4.10.4 Risico op aanzuigende werking?
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Crijns, Leeuw & Wermink (2016(b), p. 213), die wijzen op het risico van aanzuigende werking van alternatieven voor voorlopige hechtenis als voor de toepassing daarvan niet eerst een bevel tot voorlopige hechtenis nodig zou zijn.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nu in het voorgestelde nieuwe model geen bevel tot voorlopige hechtenis meer nodig is om minder ingrijpende maatregelen te bevelen, zullen naar verwachting minder bevelen tot voorlopige hechtenis van minderjarigen worden afgegeven. De aanzuigende werking van de schorsing onder voorwaarden op het bevelen van voorlopige hechtenis zal immers verdwijnen (zie par. 10.4.10.1). Tegelijkertijd kan er in het nieuwe model wel een andersoortige aanzuigende werking ontstaan, namelijk dat ‘lichtere’ voorlopige preventieve maatregelen – zoals het zich houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, een contactverbod met de medeverdachte, et cetera – mogelijk vaker gevorderd en bevolen zullen worden nu daarvoor niet eerst de horde van een vordering of bevel tot voorlopige hechtenis hoeft te worden genomen, zoals dat bij de schorsing onder voorwaarden wel het geval is.1 Hierbij moet wel de kanttekening worden geplaatst dat deze horde in de huidige praktijk, in elk geval zodra de voorlopige hechtenis eenmaal is gevorderd, voor de rechter niet vaak in de weg staat aan het bevelen en vervolgens direct schorsen van de voorlopige hechtenis onder voorwaarden. Bovendien is in het onderhavige onderzoek naar voren gekomen dat deze horde er in de praktijk ook toe leidt dat rechters de criteria voor het bevelen van voorlopige hechtenis soepeler interpreteren om te kunnen schorsen onder voorwaarden, hetgeen afbreuk doet aan de bescherming van de minderjarige tegen onrechtmatige en willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis (zie wederom par. 10.4.10.1).
Niettemin is de mogelijke aanzuigende werking die uitgaat van het model van voorlopige preventieve maatregelen een reëel risico dat zoveel mogelijk dient te worden ingeperkt, gelet op de kinder- en mensenrechtelijke uitgangspunten dat een minderjarige verdachte in beginsel zijn proces in volledige vrijheid mag afwachten en dat alternatieven voor voorlopige hechtenis geen aanzuigende werking mogen hebben. Het besluitvormingsschema voor rechterlijke beslissingen over voorlopige preventieve maatregelen, zoals beschreven in paragraaf 10.4.9, biedt hiervoor enkele waarborgen. Zo beogen de ‘instaptoets’ (stap 1) en de ‘ernstige bezwarentoets’ (stap 2) twee eerste drempels op te werpen tegen een lichtzinnige toepassing van voorlopige preventieve maatregelen ten aanzien van minderjarigen. Vervolgens dient de rechter de rechter zich bij stap 3 te houden aan het expliciet in de wet op te nemen uitgangspunt dat in beginsel géén voorlopige preventieve maatregelen worden bevolen, tenzij dit strikt noodzakelijk is op basis van een in de wet neergelegde strafvorderlijke grond. Om een aanzuigende werking te voorkomen, dient de rechter het wettelijke vereiste dat voor het aannemen van een strafvorderlijke grond sprake moet zijn van een ‘acuut en ernstig gevaar ’ strikt te interpreteren, waarbij EHRM-rechtspraak als richtsnoer kan fungeren.
Mocht de rechter toch van oordeel zijn dat het strikt noodzakelijk is om een bevel tot voorlopige preventieve maatregelen af te geven, dan wordt een wildgroei aan voorlopige preventieve maatregelen voorkomen door het voorschrift dat de rechter geen andere of ingrijpendere voorlopige preventieve maatregelen beveelt dan die strikt noodzakelijk en proportioneel zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen die voortvloeien uit de strafvorderlijke gronden op basis waarvan het bevel is afgegeven (stap 4). Dit uitgangspunt blijft gelden, ook als de minderjarige verdachte de reeds bevolen voorlopige preventieve maatregelen niet naar behoren naleeft (zie par. 10.4.10.2).
Aldus zou te allen tijde gewaarborgd moeten zijn dat voorlopige hechtenis uitsluitend op strafvorderlijke gronden en enkel als uiterste maatregel wordt toegepast. Hiermee biedt het nieuwe model zodanig stevigere garanties tegen onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming van minderjarigen dan het huidige schorsingsmodel, dat zelfs áls het risico van een mogelijke aanzuigende werking zich verwezenlijkt en resulteert in een ruimer gebruik van ‘lichte’, niet-vrijheidsbenemende voorlopige preventieve maatregelen, de rechtsbescherming van minderjarige verdachten er onder de streep niettemin op vooruitgaat en meer in lijn is met de uitgangspunten van het internationale en Europese kader van kinder- en mensenrechten.