Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/10.4.2
10.4.2 Beperkte strekking
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491097:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 5, p. 1053-1054. Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 289; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/639; Ter Rele 2018; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/173, 204; J.E. Jansen 2007, p. 93-96. Vgl. ook rb. Noord-Holland 19 juli 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:6032 (waarover Ter Rele 2018), waarin de rechtbank – ten onrechte – oordeelt dat een erfdienstbaarheid ook geldt tussen de nieuwe eigenaars van heersend en dienend erf, omdat het heersende erf opvolgend bij verschillende gebruiksgerechtigden in gebruik was gedurende de periode dat heersend en dienend erf in één hand waren. In hoger beroep wordt art. 5:83 BW op de juiste manier toegepast: hof Amsterdam 17 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:858.
119. Volgens de parlementaire geschiedenis heeft art. 5:83 BW een beperkte strekking. De erfdienstbaarheid blijft ‘slechts’ voortbestaan ten gunste of ten laste van degene die een persoonlijk gebruiksrecht had op het heersende of dienende erf op het moment dat beide erven in één hand kwamen.1 Zijn heersend en dienend erf op het moment dat het gebruiksrecht eindigt, weer in verschillende handen, dan gaat de erfdienstbaarheid desondanks door vermenging teniet. Zo nodig dient een nieuwe erfdienstbaarheid gevestigd te worden. De bepaling geldt evenmin voor degenen die een persoonlijk gebruiksrecht of een beperkt recht verkrijgen op één van de erven, gedurende de periode dat de erven in één hand zijn.
Stel bijvoorbeeld dat het heersende erf van een erfdienstbaarheid is verhuurd. Vervolgens komen heersend en dienend erf in één hand. De huurder kan op de voet van art. 5:83 BW blijven profiteren van de erfdienstbaarheid. Gedurende de periode dat de erven dezelfde eigenaar hebben, vestigt de eigenaar op het heersende erf een recht van erfpacht. De erfpachter moet de rechten van de huurder respecteren (art. 7:226 lid 1 BW). Vervolgens eindigt de huurovereenkomst. Op dat moment gaat de erfdienstbaarheid door vermenging teniet. Daarvoor maakt het niet uit of heersend en dienend erf nog in één hand zijn, wanneer de huurovereenkomst eindigt. In beide gevallen gaat de erfdienstbaarheid door vermenging teniet. Art. 5:83 BW geldt slechts ten gunste of ten laste van degenen die een persoonlijk gebruiksrecht hebben, op het moment waarop de beide erven in één hand komen. De erfpachter heeft geen persoonlijk gebruiksrecht, en hij verkreeg zijn recht pas nadat de beide erven in één hand kwamen.2
De regeling van art. 5:83 BW wijkt af van hetgeen geldt als een beperkt recht rust op het heersende of dienende erf van een erfdienstbaarheid, op het moment waarop de beide erven in één hand komen (art. 3:81 lid 3 BW, zie §9.2.4 en 9.4). Stel bijvoorbeeld dat het heersend erf van een erfdienstbaarheid is bezwaard met een recht van erfpacht. Vervolgens komen heersend en dienend erf in één hand. De erfdienstbaarheid blijft voortbestaan vanwege de erfpacht (art. 3:81 lid 3, eerste volzin BW). Gedurende de periode dat heersend en dienend erf in één hand zijn, vestigt de eigenaar een recht van vruchtgebruik op het heersende erf (met een lagere rang dan de erfpacht). Wanneer de erfpacht tenietgaat (bijvoorbeeld door afstand), dan blijft de erfdienstbaarheid voortbestaan, omdat het vruchtgebruik rust op het heersende erf (art. 3:81 lid 3, eerste volzin BW). De vruchtgebruiker heeft belang bij de erfdienstbaarheid. Daarvoor maakt het niet uit of heersend en dienend erf nog in één hand zijn op het moment waarop de erfpacht tenietgaat. Als heersend en dienend erf nog in één hand zijn, en vervolgens ook het vruchtgebruik eindigt, dan gaat de erfdienstbaarheid – bij gebrek aan belang – door vermenging teniet. Hebben heersend en dienend erf verschillend eigenaren op het moment waarop ook het vruchtgebruik tenietgaat, dan blijft de erfdienstbaarheid voortbestaan (art. 3:81 lid 3, eerste volzin BW). De eigenaar van het heersende erf heeft daar belang bij.
In de wetsgeschiedenis wordt niet gemotiveerd, waarom een minder royale regeling geldt als een derde een persoonlijk gebruiksrecht heeft van het heersende of dienende erf van een erfdienstbaarheid, op het moment waarop de erven in één hand komen, dan wanneer iemand op dat tijdstip een beperkt recht heeft op één van de erven. Mogelijk heeft de wetgever de reikwijdte van de bepaling klein willen houden, omdat art. 5:83 BW een uitzondering maakt op de hoofdregel dat alleen goederenrechtelijke rechten kunnen meebrengen dat een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak heeft.