Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.3.1.5:8.3.1.5 Uniformiteit
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.3.1.5
8.3.1.5 Uniformiteit
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605417:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Men kan zich afvragen of de regelingen van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting en omzetbelasting meer op elkaar zouden kunnen lijken. Finkensieper (1989) meent in dit verband dat er toenadering mogelijk is tussen beide regelingen. Hij beschrijft een aantal gelijkenissen. Dit betreft in de eerste plaats de mogelijkheid van horizontale compensatie van winsten en verliezen voor de vennootschapsbelasting; voor de omzetbelasting gaat het hierbij om de compensatie van belastingschulden en -vorderingen. Ten tweede biedt een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting het voordeel dat bij onderlinge transacties geen winstrealisatie optreedt; voor de omzetbelasting kan er in de sfeer van de onderlinge transacties ook een voordeel zijn, namelijk indien sprake is van een combinatie van belaste en vrijgestelde transacties. Ten slotte leiden beide regelingen tot een procedurele en administratieve vereenvoudiging. Ik deel de mening van Finkensieper dat er veel voor valt te zeggen om verbonden personen voor de vaststelling van hun fiscale verplichtingen als een entiteit te behandelen, zonder onderscheid te maken per belastingsoort. Beide regelingen hebben tot doel om juridisch zelfstandige personen die nauw verweven zijn, bij wijze van faciliteit als een eenheid te zien met het gevolg dat fiscale resultaten gecompenseerd kunnen worden en dat interne transacties geen fiscale gevolgen hebben. Finkensieper denkt dat er in dit verband een unieke fiscale eenheid zou kunnen gelden voor de vennootschapsbelasting en omzetbelasting, maar ook voor de overdrachtsbelasting. Uiteraard zijn de gevolgen van de fiscale eenheid per belastingsoort wel verschillend, zo merkt hij op.
Een praktisch probleem is dat de bezitseisen in de regelingen voor de vennootschapsbelasting en omzetbelasting thans nog sterk verschillen. Voor de financiële verwevenheid in de zin van art. 7 lid 4 Wet OB 1968 geldt een bezitseis van meer dan 50% van de aandelen. In art. 15 Wet VPB 1969 geldt een bezitseis van 95%. Finkensieper (1989) denkt dat het bezitscriterium voor de vennootschapsbelasting ook op 50% zou kunnen worden gesteld. Zoals is toegelicht in hoofdstuk 7, meen ik echter dat dit voor de heffing van vennootschapsbelasting tot onbedoelde situaties zou kunnen leiden. Mijn voorkeur gaat daarom uit naar een bezitseis van 95%, zoals thans al geldt voor de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Overigens noemt Finkensieper dit ook als mogelijkheid. Ik wijs er nog op dat voor de fiscale eenheid in Zweden bijvoorbeeld ook een hoge bezitseis van 90% geldt, terwijl in Denemarken zelfs een 100%-criterium wordt gehanteerd.
Overigens is de hoogte van de bezitseis minder belangrijk, indien wordt uitgegaan van een materieel-economische benadering waarin deze eis slechts dient als weerlegbaar vermoeden van verwevenheid.