Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/5.3.2.3:5.3.2.3 De verhouding tussen de fiscaal-theoretische toets en de nota Zicht op wetgeving
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/5.3.2.3
5.3.2.3 De verhouding tussen de fiscaal-theoretische toets en de nota Zicht op wetgeving
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491721:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze kwaliteitseisen zijn toegelicht in onderdeel 5.2.
Zie ook de onderdelen 6.2, 6.5, 9.2 en 9.5.
Vgl. ook Bobeldijk 2009, onderdeel 3.5, p. 27 en Rozendal 2014, onderdeel 2.2.4, p. 30.
VBW no. 237, 2009, hoofdstuk 1, p. 6.
Zie ook het schema in Bijl & Van der Geld 2009, p. 7.
VBW no. 237, 2009, hoofdstuk 7, p. 27.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De toets aan de grondslagen (belastingbeginselen) en doelstellingen van de splitsingsregels kan worden gekoppeld aan diverse kwaliteitseisen uit de nota Zicht op wetgeving.1 De fiscaal-theoretische toets betekent namelijk tegelijkertijd een (impliciete) toets aan de volgende kwaliteitseisen uit die nota:
Rechtmatigheid en verwerkelijking van rechtsbeginselen. Het is de vraag of met de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting recht wordt gedaan aan (rechts)gelijkheid.
Doeltreffendheid en doelmatigheid. Getoetst wordt in hoeverre de splitsingsregels tot verwezenlijking van de achterliggende doelstellingen leiden (doeltreffendheid). Daarbij moet geen wanverhouding ontstaan tussen de baten en lasten die uit de werking van de splitsingsregels voortvloeien (doelmatigheid).
Onderlinge afstemming. Beoordeeld wordt in hoeverre de rechtsfiguur van de splitsing in de vennootschapsbelasting daadwerkelijk overeenkomstig vergelijkbare rechtsfiguren wordt behandeld en of de daarbij gehanteerde vergelijkingsmaatstaven juist zijn.
Evenredigheid of proportionaliteit. Geëvalueerd moet worden of de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting in uitwerking niet verder of minder ver gaan dan noodzakelijk is om hun doelstelling te bereiken. Dit speelt bijvoorbeeld een rol bij de vergelijking van de fiscale implicaties van een splitsing met die van vergelijkbare rechtsfiguren, maar ook bij het zoeken naar een balans tussen enerzijds het voorkomen dat een splitsing wordt belemmerd met vennootschapsbelasting en anderzijds het behouden van belastingclaims en het bestrijden van misbruik. Als de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting niet proportioneel zijn vormgegeven, raakt het evenwicht tussen de belastingbeginselen zoek.2
Uit het voorgaande blijkt dat het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel belangrijk is bij het vinden van het wenselijke evenwicht tussen de belastingbeginselen en daarmee bij het aanleggen van de fiscaal-theoretische toets. Het is daarom goed de toetsing aan dat beginsel wat nader te bezien. Als de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting in uitwerking te ver gaan, is sprake van ‘overkill’.3 Het omgekeerde is uiteraard ook mogelijk: de bedoelde regels gaan niet ver genoeg. In dat geval is sprake van een ‘underkill’. Bijl & Van der Geld omschrijven overkill als vermijdbare en onwenselijke overinclusiviteit.4 In het verlengde daarvan omschrijf ik underkill als vermijdbare en onwenselijke onderinclusiviteit. In deze definities ligt besloten dat niet iedere vorm van over- of onderinclusiviteit tot overkill of underkill leidt. Daarvan is slechts sprake indien over- of onderinclusiviteit vermijdbaar en onwenselijk is.5 Ik sluit mij bij daarbij aan en maak in dit onderzoek verder impliciet gebruik van de door deze auteurs ontworpen toetsingsvragen voor het vaststellen van overkill.6 Die toetsingsvragen kunnen zodanig worden omgevormd dat zij ook bruikbaar zijn voor het vaststellen van underkill. De eerste hoofdvraag is of sprake is van over- of underkill. Bijbehorende deelvragen zijn of sprake is van over- of onderinclusiviteit, of deze vermijdbaar is en of deze bovendien onwenselijk is. De tweede hoofdvraag is hoe de geconstateerde overkill (en underkill) kan worden vermeden of opgeheven. De deelvragen daarbij zijn welke alternatieven idealiter voorhanden zijn en wat de voor- en nadelen daarvan zijn. De tweede hoofdvraag kan mijns inziens diensten bewijzen bij het formuleren van mijn verbeteringsvoorstellen.