Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.6.3:6.6.6.3 Meerdere verwijzingsverzoeken
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.6.3
6.6.6.3 Meerdere verwijzingsverzoeken
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434205:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat te doen in het wellicht theoretische geval dat verschillende gerechten en/of personen een forum non conveniens-verwijzing verzoeken naar gerechten in verschillende lidstaten? Een voorbeeld. Een van partijen verzoekt de behandelende rechter van lidstaat A om de zaak te verwijzen naar het gerecht van de lidstaat waarvan het kind onderdaan is (art. 15 lid 2 sub a jo. lid 3 sub c), terwijl het gerecht van een andere lidstaat waar het kind zijn laatste vorige gewone verblijfplaats had (lidstaat B) ook om verwijzing naar zichzelf of naar een ander gerecht verzoekt (art. 15 lid 2 sub c jo. lid 3 sub b). De rechter wordt dan geconfronteerd met twee verwijzingsverzoeken naar dezelfde of naar verschillende gerechten. En stel, om het nog ingewikkelder te maken, dat de behandelende rechter van lidstaat A zelf ook verwijzing van de zaak overweegt, naar het gerecht in weer een andere lidstaat. Hoe moet hiermee worden omgegaan? Er is geen sprake van aanhangigheid van twee dezelfde procedures bij gerechten in verschillende lidstaten, zodat de litispendentieregeling van art. 19 lid 2 Vo-BIIbis niet opgaat. In een dergelijk geval behoeft naar mijn mening niet de regel te gelden dat het eerste verwijzingsverzoek voorrang heeft boven het tweede. De behandelende rechter zal moeten nagaan welk van de daarvoor in aanmerking komende gerechten het meest geschikt is om in het belang van het kind te oordelen.