Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/4.2.4.2
4.2.4.2 Reactie op kritiek op deze doelstelling
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS582693:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Timmerman (2007b), p. 328, in voetnoot 6. Hij verwijst daarbij naar Hansmann/ Kraakman (2004a), p. 18. Volledigheidshalve heb ik de passage weergegeven zoals deze is te vinden bij Timmerman. Hansman/Kraakman zelf schrijven, op p. 18, op subtiele wijze niet over 'corporate welfare', maar over 'the aggregate welfare'.
Timmerman (2007b), p. 327-328, met cursv. J.B.S.H. Een vergelijkbaar standpunt is eerder door hem ingenomen in Timmerman (2004b), p. 6 en in Timmerman (2007c), p. 32. Ook, bijvb., Lennarts (2006), p. 27, merkt op dat 'efficiëntie geen doel op zich mag zijn' en dat 'er is ook nog zoiets is als rechtvaardigheid'.
Daarbij staat niet ter discussie dat in het (Nederlandse) vennootschapsrecht plaats dient te zijn voor de notie 'redelijkheid en billijkheid'. Zie Timmerman (2007b), p. 334: 'reasonableness, fairness and fundamental rights will remain lasting elements of Dutch corporate law'. Ook ik ben niet tegen redelijk en billijk vennootschapsrecht — en zelfs tegen vennootschapsrecht waarvan het doel is om te streven naar onredelijke en onbillijke uitkomsten. Om te achterhalen waarom bepaalde voorschriften in het vennootschapsrecht (moeten) worden opgenomen dient echter bepaald te worden wat een 'redelijke en billijke' uitkomst is, welke uitkomst niet (meer) 'redelijk en billijk' is en — vooral — waarom dat zo is. Het streven naar 'redelijkheid en billijkheid' als doel van het vennootschapsrecht is op zichzelf naar mijn mening een lege en daarmee — een nietszeggende doelstelling. Overigens merkt Timmerman — in Timmerman (2007a), p. 94 — op dat hij zich volledig kan vinden in de opvatting van 'Vice Chancellor Strine': 'the primary goal of company law is not to prevent failure, but to facilitate the maximum creation of societal wealth (...).' Dit wekt de suggestie dat tussen de opvatting van Timmerman en mij weinig licht bestaat.
Alsmede voorgestelde wijzigingen van die voorschriften of rechterlijke uitspraken over de uitleg van die voorschriften.
In die zin Timmerman (2004b), p. 6.
Aldus: Kaplow/Shavell (2001), p. 986.
Kaplow/Shavell (2001), p. 986, 989-998 en 1376-1378.
Kaplow/Shavell (2001), p. 981.
Vgl. Kaplow/Shavell (2001), p. 982: '[wie further note a particular source of well-being that has special relevance to our Article, namely, the possibility that individuals have a taste for a notion of faimess, just as they may have a taste for art, nature, or fine wine.' Over de opvatting van Kaplow/Shavell — en de toepassing van hun gedachten op de grondslagen voor regels van aanvullend contractenrecht — Van Bijnen (2005), p. 12 e.v.
In die woorden: Timmerman (2004b), p. 6-7. Of er naast de hierboven beschreven elementen die bijdragen aan maatschappelijke welvaart nog kan worden gesproken over (andere) waarden die voortvloeien uit de 'interests and visions of people' binnen de Nederlandse maatschappij, én het Nederlandse vennootschapsrecht ruimte zou moeten bieden om te voorzien in verwezenlijking daarvan, betwijfel ik.
In het midden kan daarbij blijven of dergelijke 'bepaalde waarden', zoals in de voorgaande voetnoot is besproken, bestaan uit elementen die bijdragen aan maatschappelijke welvaart of zouden zien op daarbuiten gelegen waarden.
Zie met name § 3.6 van hoofdstuk 9.
Dat de doelstelling van het vennootschapsrecht gelegen zou moeten zijn in maximalisering van de maatschappelijke welvaart is in de literatuur bekritiseerd. Uitgesproken kritisch in dit verband is Timmerman. Met een verwijzing naar, onder andere, de opvatting van Hansmann/Kraakman merkt hij op zich niet in hun opvatting — zijnde dat "the appropriate goal of corporate law is to advance corporate welfare of a firm's shareholders, employees, suppliers and customers (…)”1— te kunnen vinden. In de zienswijze van Timmerman geldt voor het vennootschapsrecht namelijk dat: "[a]lthough corporate law may function as an instrument to enhance economie activity, it should (...) always guarantee an acceptable level of integrity. (...) [W]e need a corporate law regime that is more than just economically efficient. There is not one universal model of corporate law, particularly where the interests and visions of people differ greatly within our society and from society to society. (...) Irrespective of how economically sound and efficient certain decisions may be, it is precisely this wide diversity of interests and visions which demands that the decisions of a corporation should be subject to a test of fairness and carefulness. Hence, corporate law should, in my view, be based on a pluralistic approach, embracing the overarching principles of economie efficiency and justice."2
Ondanks dat Timmerman expliciet stelt de door Hansmann/Kraakman benoemde doelstelling van het vennootschaprecht — die ik onderschrijf — te verwerpen, betwijfel ik of van de door hem gesuggereerde scherpe tegenstelling wel sprake is. Ook betwijfel ik of zijn kritiek in alle opzichten wel houdbaar is. Uit Timmerman's opvatting kan ten eerste namelijk niet worden afgeleid welk doel, anders dan maximalisering van de maatschappelijke welvaart, het vennootschapsrecht (wel) zou moeten te hebben.3 Wij zijn het, denk ik, eens dat bij de beoordeling of sprake is van maximalisering van maatschappelijke welvaart niet alleen efficiëntie-overwegingen maar ook "fairness and carefulness" — een "pluralistic approach" derhalve — een rol spelen. "Fairness and carefulness" behoren mijns inziens echter geen doel in zichzelf te zijn. Het zijn naar mijn mening de randvoorwaarden waarbinnen de uitkomsten van handelingen van bij de vennootschap betrokken actoren op basis van de in het vennootschapsrecht opgenomen voorschriften4 zouden moeten passen.
Ten tweede omvat de doelstelling "maximalisering van maatschappelijke welvaart", anders dan soms lijkt te worden aangenomen, meer "kleuren op het palet van gezichtspunten" dan alleen "waarden van economische aard".5 Maximalisering van maatschappelijke welvaart is weliswaar gericht op het vergroten van het — het gezamenlijke — individuele welzijn. Dát bestaat, naast "individu-als' levels of material comfort", echter ook uit "their degree of aesthetic fulfilment, their feelings for others, and anything else that they might value, however intangible."6 Verder worden ook de verdeling van sociale welvaart7, het willen vermijden van onzekerheid en risico8 en de mogelijkheid dat individuen gevoelig zijn voor noties van "faimess"9, gerekend tot het individuele welzijn. Zij zijn — daarmee — onderdeel van maatschappelijke welvaart. Met "maximaliseren van de maatschappelijke welvaart" als doelstelling van het vennootschapsrecht wordt er derhalve naar mijn mening in voorzien dat "het recht (en ook het vennootschapsrecht) ook ruimte (...) [bieden] voor verwezenlijking van waarden van niet-economische aard, omdat recht meer wil en moet zijn dan een dienstmaagd voor de economie."10
Voor zover het voorgaande, ten slotte, al nuancering behoeft, is die vooral gelegen in de toebedachte rol van het vennootschapsrecht. Betwijfeld kan namelijk worden of het vennootschapsrecht wel altijd het meest effectieve instrument is "voor verwezenlijking van bepaalde waarden".11 Dit vanwege het gegeven dat het toepassingsbereik van de in het vennootschapsrecht opgenomen voorschriften beperkt is tot Nederlandse vennootschappen en niet per definitie toepasselijk is op (ondernemings)activiteiten die worden verricht op het Nederlandse grondgebied. Ik kom op de gevolgen van dit toepassing sbereik van het vennootschapsrecht op verschillende plaatsen in deze studie terug.12