Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.6
2.6 De derde ontwikkeling: de N.V. als instituut en het vennootschappelijk belang (1959-1964)
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS384570:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
C.J.H. Jansen & G. van Solinge, ‘Egidius Johannes Josephus van der Heijden’, in C.J.H. Jansen & G. van Solinge (reds.), Verspreide geschriften van E.J.J. van der Heijden, Van der Heijden-reeks nr. 67, Deventer: Kluwer 2001, p. xxvi.
J.M.M. Maeijer, Het belangenconflict in de Naamloze Vennootschap, oratie Nijmegen 1964, Deventer: Kluwer 1964, in C.D.J. Bulten, C.J.H. Jansen & G. van Solinge (reds.), Verspreide geschriften van J.M.M. Maeijer, Van der Heijden-reeks nr. 100, Deventer: Kluwer 2009, p. 141-162.
Löwensteyn 1959. Raaijmakers Sr. heeft deze dissertatie later eens aangeduid als een “landmark opinion”. Zie Raaijmakers Th. 1987, p. 5.
Handboek Van der Grinten 1962.
In de inleiding op de in 2001 verschenen verspreide geschriften van Van der Heijden overwogen Jansen en Van Solinge het volgende: “De contractuele opvatting van de N.V., zoals door Van der Heijden is voorgestaan, is in de jaren zestig van de vorige eeuw verlaten voor de institutionele opvatting, een benadering die meer is gericht op de rechtspersoon (en de daarmee verbonden onderneming) als een zelfstandige entiteit in het rechtsleven.”1 De Nijmeegse oratie van Maeijer uit 19642 kan worden beschouwd als het beginpunt van de dominantie van de institutionele school die nog tot de dag van vandaag voortduurt. De oratie van Maeijer stond evenwel niet op zichzelf, maar kan op haar beurt worden gezien als een sluitstuk van eerdere wijzigingen in de rechtsopvatting over het wezen van de N.V.. In dit verband valt met name te wijzen op de dissertatie van Löwensteyn uit 19593 en de nieuwe bewerking van het Handboek door Van der Grinten uit 1962.4 Anders gezegd, het ‘vennootschappelijk belang’ uit de oratie van Maeijer kwam niet uit de lucht vallen, maar bouwde voort op eerder ingenomen standpunten van Löwensteyn en Van der Grinten. De opvattingen van Maeijer lagen echter niet in een logische verlengde van deze standpunten. Voor een goede duiding van de ontwikkeling van het leerstuk van het vennootschappelijk belang is het derhalve zinvol om de vernieuwingen in de opvattingen van Löwensteyn, Van der Grinten en Maeijer integraal te beschrijven.
2.6.1 Dissertatie Löwensteyn2.6.2 Gewijzigde opvatting Van der Grinten2.6.3 Oratie Maeijer