Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/2.4.6.5
2.4.6.5 Standpuntbepaling via art. 49c Wge
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649750:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Van Olffen & Rensen 2014, p. 192; Abma e.a. 2017, p. 196. Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 32 014, nr. 3 (MvT), p. 53 en vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 48. Dat het doen van een informatieverspreidingsverzoek slechts mogelijk is als een identificatieronde is gehouden, kan ook worden afgeleid uit art. 49c lid 1 Wge.
Zie over de effectiviteit van de identificatieregeling Abma e.a. 2017, p. 196; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 47.
Deze bepaling staat op gespannen voet met art. 49c lid 1 Wge, waarin is bepaald dat de informatie tenminste tot en met de dag van de vergadering beschikbaar wordt gehouden. De tegenspraak is kennelijk onbedoeld en het lijkt daarom veilig om in alle gevallen de termijn van een jaar aan te houden. Zie verder T&C Ondernemingsrecht/Haentjens 2020, art. 49c Wge, aant. 2.
Als het een strategisch onderwerp is, heeft hij daarvoor, zo nodig, de vennootschap in de gelegenheid gesteld een responstijd in te roepen (bpb 4.1.6 en 4.1.7 NCGC). Anders Stoppels & Van Bekkum 2016, p. 263 die menen dat een bespreekpunt an sich niet kan leiden tot een wijziging van de strategie van de vennootschap.
In gelijke zin Duynstee & Drenth 2020, p. 935; Nowak in punt 8 van zijn noot bij Gerechtshof ’s-Gravenhage 31 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1531, JOR 2016/181 m.nt. Nowak (Boskalis/Fugro), zie ook par. 5.2.3.5.
Kamerstukken II 2008/09, 32 014, nr. 3, p. 54-55.
Vgl. Stoppels & Van Bekkum 2016, p. 265 over de route via de media.
Uit de wet en rechtspraak volgt dat inhoudelijke moties kunnen worden ingediend, maar dat niet kan worden afgedwongen dat een inhoudelijke motie in stemming wordt gebracht. De voorzitter van de algemene vergadering dient van geval tot geval te beoordelen of hij de ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde stemgerechtigden over een ingediende motie laat stemmen, zo blijkt uit de voorgaande paragrafen. Bij in elk geval beursvennootschappen ligt het voor de hand dat de voorzitter, gezien hetgeen de Hoge Raad in Boskalis/Fugro overwoog, een inhoudelijke motie die ziet op een onderwerp dat onder de bestuursbevoegdheid valt, niet in stemming brengt.1
De vraag komt op of kapitaalverschaffers van beursvennootschappen het resultaat van een stemming over een inhoudelijke motie die ziet op een onderwerp dat onder de bestuursbevoegdheid valt, kunnen benaderen via art. 49c Wge. In art 49c Wge is geregeld dat een aandeelhouder van een uitgevende instelling onder voorwaarden kan verzoeken dat de uitgevende instelling, bepaalde, door de aandeelhouder ter beschikking gestelde informatie verspreidt onder de aandeelhouders van de uitgevende instelling. Uit art. 49a sub d Wge blijkt dat NV’s en BV’s waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt kwalificeren als uitgevende instelling. Aandeelhouder in de zin van hoofdstuk 3A Wge is degene die voor eigen rekening een tegoed, luidend in effecten met een aandelenkarakter aanhoudt bij een aangesloten instelling, intermediar of instelling in het buitenland, alsmede de beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in art. 1:1 Wft (zie art. 49a sub c Wge). Dit aandeelhouderbegrip is aldus ruimer dan dat van Boek 2 BW.
Het recht een informatieverspreidingsverzoek te doen, komt toe aan de aandeelhouder die alleen of gezamenlijk met andere aandeelhouders: (i) ten minste 1% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt, of (ii) rechthebbende is op een bedrag van (certificaten van) aandelen met een gezamenlijke waarde van ten minste € 250.000,-. Enkel degene die aandeelhouder is op de peildatum die is vermeld in het laatst gedane verzoek, bedoeld in art. 49b lid 1 Wge (een verzoek tot identificatie van aandeelhouders), telt als aandeelhouder (art. 49c lid 6 Wge). Hieruit volgt reeds dat het doen van een informatieverspreidingsverzoek slechts mogelijk is wanneer de vennootschap uit eigen beweging of op verzoek van een of meer aandeelhouders een identificatieronde als bedoeld in art. 49b Wge heeft gehouden.2 De aandeelhouder die alleen of gezamenlijk met anderen tenminste 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt, kan bij de vennootschap afdwingen dat een identificatieronde wordt gestart (art. 49b lid 6 Wge).3
De te verspreiden informatie moet verband houden met een onderwerp dat is geagendeerd voor de algemene vergadering (art. 49c lid 1 Wge). De vennootschap verzendt de informatie met de meeste spoed naar de op de voet van art. 49b Wge geïdentificeerde aandeelhouders, of zij plaatst de informatie met de meeste spoed op haar website. ‘Met de meeste spoed’ betekent in elk geval binnen drie werkdagen na ontvangst van het verzoek. Als de informatie op de website wordt geplaatst, blijft deze daar op grond van art. 49c lid 5 Wge tenminste een jaar toegankelijk.4 In art. 49c lid 3 Wge is bepaald dat als de vennootschap informatie verzendt, zij daarbij de naam van de verzoeker vermeldt. Mijns inziens moet de naam van de verzoeker ook worden vermeld als de vennootschap de informatie enkel op haar website plaatst.5
De vennootschap hoeft niet aan het informatieverspreidingsverzoek te voldoen als (i) de te verspreiden informatie minder dan zeven werkdagen voor de algemene vergadering door de vennootschap wordt ontvangen (art. 49c lid 2 Wge), (ii) van de te verspreiden informatie een onjuist of misleidend signaal uitgaat of een dergelijk signaal te duchten is met betrekking tot de vennootschap (art. 49c lid 4, sub a Wge), of (iii) de te verspreiden informatie van zodanige aard is dat verzending (of plaatsing op de website) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vennootschap kan worden verlangd (art. 49c lid 4, sub b Wge).
De agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer die discussievoering over een bestuursaangelegenheid te weinig vindt, kan het volgende proberen. Hij verzoekt de vennootschap om het onderwerp als bespreekpunt op de agenda te plaatsen, hetgeen het bestuur in beginsel niet kan weigeren.6 In een toelichting op het agendapunt zet hij zijn standpunt ten aanzien van het onderwerp uiteen en benoemt hij hoeveel van het geplaatste kapitaal hij vertegenwoordigt. Mijns inziens dient het bestuur deze toelichting bij het agendapunt op te nemen.7 Als nu de vennootschap reeds een identificatieronde heeft gehouden, of dit naar aanleiding van het agenderingsverzoek van de kapitaalverschaffer gaat doen, kunnen aandeelhouders die de in art. 49c lid 1 Wge genoemde kapitaaldrempel halen een informatieverspreidingsverzoek doen. De aandeelhouder die het punt liet agenderen, kan de vennootschap verzoeken om onder vermelding van zijn aandelenbelang zijn standpunt ten aanzien van het door hem geagendeerde onderwerp te verspreiden. Andere kapitaalverschaffers die (gezamenlijk) een van de kapitaaldrempels uit art. 49c Wge halen, kunnen, al dan niet daartoe aangespoord, dit voorbeeld volgen. Zij kunnen de vennootschap verzoeken om, onder vermelding van de hoeveelheid kapitaal dat zij vertegenwoordigen, te verspreiden dat zij het standpunt van degene die het punt op de agenda liet zetten, onderschrijven (of niet). Als deze verzoeken worden gehonoreerd, is duidelijk welke hoeveelheid van het geplaatste kapitaal in elk geval het standpunt onderschrijft. Het is best practice dat degene die het onderwerp op de agenda heeft laten plaatsen, dit ter vergadering toelicht (bpb 4.1.5 NCGC). In zijn toelichting kan de aandeelhouder zijn standpunt nogmaals herhalen en vragen of in de notulen kan worden opgenomen dat hij uit de door de vennootschap verspreide informatie heeft opgemaakt dat X% van de kapitaalverschaffers hetzelfde standpunt inneemt (en dat van de overige kapitaalverschaffers het standpunt niet bekend is). Alsdan wordt een resultaat bereikt dat in elk geval ten dele te vergelijken is met een informele stemming.
Of het bovenstaande kans van slagen heeft, is afhankelijk van of de vennootschap de informatieverspreidingsverzoeken kan weigeren. Dat kan in de eerste plaats als van de te verspreiden informatie (hier dus het standpunt van de verzoeker(s)) een onjuist of misleidend signaal uitgaat of een dergelijk signaal te duchten is met betrekking tot de vennootschap (art. 49c lid 4, sub a Wge). Over deze weigeringsgrond is in de MvT opgetekend:
“De uitgevende instelling mag geen informatie verzenden die kennelijk onjuist, misleidend of onduidelijk is. Informatie die in wezen reclame betreft, mag niet worden verzonden. Informatie die wordt verzonden dient verder in alle gevallen verband te houden met het beleid of de bedrijfsvoering van de uitgevende instelling, hieronder valt tevens de governancestructuur van de uitgevende instelling.”8
Het onderwerp waar het te verspreiden standpunt op ziet, houdt verband met het beleid, de bedrijfsvoering of de governancestructuur van de vennootschap. Het betreft immers een onderwerp dat binnen het bestuursdomein valt. Hieruit volgt dat ook het te verspreiden standpunt verband houdt met het beleid, de bedrijfsvoering of de governancestructuur. Ervan uitgaande dat het standpunt helder geformuleerd is en geen reclame betreft, kan de verspreiding van het standpunt mijns inziens niet op grond van art. 49c lid 4, sub a Wge worden geweigerd. Ik zie namelijk niet in hoe van een standpunt (dat in essentie niet meer is dan een mening) een onjuist of misleidend signaal met betrekking tot de vennootschap kan uitgaan.
De vennootschap kan voorts weigeren de informatie te verspreiden als deze van zodanige aard is dat verzending (of plaatsing op de website) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vennootschap kan worden verlangd (art. 49c lid 4, sub b Wge). Over deze weigeringsgrond staat in de MvT:
“Hierbij wordt opgemerkt dat informatie die kritiek op het beleid of de bedrijfsvoering van de uitgevende instelling inhoudt, past bij de rol van investeerders en dit feit op zichzelf voor de uitgevende instelling geen aanleiding kan zijn om verzending te weigeren. Beledigende kritiek zal, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, wel een aanleiding kunnen vormen om verzending te weigeren. Behalve de inhoud van de informatie kan de informatie ook zijn aangeleverd op een zodanige wijze dat verzending niet van de uitgevende instelling kan worden verlangd. Hiervan zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn wanneer het document groot is (meer dan 4 pagina’s A4) of wanneer de informatie elektronisch is aangeleverd met gebruikmaking van een niet gangbaar tekstverwerkingsprogramma.”9
Het ligt voor de hand dat het te verspreiden standpunt kritiek behelst op het beleid, de bedrijfsvoering of de governancestructuur van de vennootschap, maar dat gegeven vormt op zichzelf onvoldoende grond om het standpunt niet te verspreiden. Zolang de kritiek niet beledigend van aard is, niet teveel woorden behelst en met een gangbaar tekstverwerkingsprogramma op papier is gezet, is er voor de vennootschap geen aanleiding om de verspreiding van het standpunt te weigeren.
Uit het voorgaande volgt dat naar mijn mening een agenderingsgerechtigde bij een vennootschap die een uitgevende instelling is in de zin van art. 49a, sub d Wge samen met andere aandeelhouders het resultaat van een in stemming gebrachte motie kan benaderen. Voorwaarde is wel dat de vennootschap op eigen initiatief of op verzoek van een of meer aandeelhouders een identificatieronde als bedoeld in art. 49b Wge heeft gehouden. Het welslagen van de actie is sterk afhankelijk van de bereidheid van andere aandeelhouders om de vennootschap te verzoeken hun standpunt te verspreiden.10