Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/1.7.1
1.7.1 Levensverzekeringen
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949760:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 7:978 lid 1 BW luidt: “De verzekeringnemer heeft het recht de verzekering, voor zover deze stellig voorziet in een of meer uitkeringen, geheel of gedeeltelijk door de verzekeraar te doen afkopen. Door afkoop eindigt de verzekering, behoudens voor zover uit de verzekering nog uitkeringen kunnen voortvloeien. De afkoopwaarde komt de verzekeringnemer toe.” Zie hierover onder meer Kalkman 2013, p. 151-155; Van Hooff, Tijdschrift Financiering, zekerheden en insolventierechtpraktijk 2018/1, p. 44-46; Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/679-682; Rijpkema, Bruins Slot en Kalkman 2019, p. 585-586; Mijnssen en Engel 2021, p. 176-178; Rijkels 2023, p. 1228-1232; Kalkman, in: T&C Verzekeringsrecht, art. 7:978 BW. In Kamerstukken II 1985/86, 19529, nr. 3, p. 46 wordt de afkoopwaarde “de concretisering van het spaarelement” van de verzekering genoemd.
Onder een gemengde verzekering wordt een levensverzekering verstaan waarbij een uitkering plaatsvindt bij in leven zijn van de verzekerde op de einddatum dan wel bij eerder overlijden van de verzekerde.
Rijkels 2023, p. 1230.
Zie over de afkoop van natura-uitvaartverzekeringen Coenraad en Vlasveld 2023, p. 1263-1264, de daar genoemde uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening en de uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2023-0580 d.d. 24 juli 2023.
Rijpkema, Bruins Slot en Kalkman 2019, p. 585.
Kamerstukken II 1985/86, 19529, nr. 3, p. 46; Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/679; Kalkman, in: T&C Verzekeringsrecht, art. 7:978 BW, aant. 1.
Art. 7:978 lid 1 juncto art. 7:986 BW. Op grond van art. 7:986 lid 3 BW kan van art. 7:978 lid 2 BW (over premievrijmaking) niet ten nadele van de verzekeringnemer worden afgeweken, indien de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is en deze de verzekering sluit anders dan in verband met de uitoefening van een beroep of bedrijf. Van art. 7:978 lid 1 BW kan dus wél worden afgeweken.
Van Hooff, Tijdschrift Financiering, zekerheden en insolventierechtpraktijk 2018/1, p. 44-46.
Waard Leven N.V. richtte in verband met portefeuilleoverdrachten waarbij deze verzekeraar een verzekeringsportefeuille verkreeg een onderdeel van de website in met naar aanleiding daarvan gestelde vragen. Op 31 december 2021 kon men daar (https://www.waardverzekeringen.nl/kunnen-wij-u-helpen/veelgestelde-vragen) het volgende antwoord vinden op de vraag “Hoe en wanneer kan ik mijn verzekering beëindigen?”: “Dit kunt u vinden in de polisvoorwaarden. Als uit de verzekeringsvoorwaarden blijkt dat u de verzekering niet kunt beëindigen dan is het Verzekeringsrecht van toepassing. Hierin is bepaald dat een verzekering aan het eind van elke periode van 5 jaar schriftelijk opgezegd kan worden, te rekenen vanaf de ingangsdatum van de verzekering. Houd rekening met een opzegtermijn van minimaal twee maanden voor het verstrijken van de 5-jaars-periode. U kunt uw schriftelijke verzoek tot beëindiging sturen naar (…)’.” Dit betreft naar mijn mening een toepassing van art. 7:940 lid 2 BW. Daar is bepaald dat de verzekeringnemer een overeenkomst die is aangegaan voor een periode van meer dan vijf jaar, of die voor zulk een periode is verlengd, kan opzeggen tegen het einde van elk vijfde jaar binnen die periode. Daarbij geldt dan op grond van art. 7:940 lid 2 juncto art. 7:940 lid 1 BW een opzegtermijn van twee maanden. Dit artikel 7:940 BW is opgenomen in Afdeling 1 ‘Algemene bepalingen’ van Titel 17 van Boek 7 BW over verzekeringsovereenkomsten, en niet specifiek in Afdeling 2 ‘Schadeverzekeringen’. Dit impliceert dat deze bepaling ook geldt voor levensverzekeringen. Art. 7:943 lid 3 BW bepaalt dat van art. 7:940 lid 2 BW niet ten nadele van de verzekeringnemer kan worden afgeweken indien de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is en hij de verzekering sluit anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Dit is bijvoorbeeld opgenomen in de voorwaarden van de SNS Spaarhypotheek SNS-SH-41303-0501.
Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2021-0767 d.d. 27 augustus 2021: “De commissie is van oordeel dat de eis van de bank om alleen met tussenkomst van een adviseur de overlijdensrisicoverzekering van de consument te beëindigen, niet onredelijk is. Dit oordeel licht de commissie als volgt toe. Allereerst overweegt de commissie dat de bevoegdheid van de bank om advies te verplichten bij de opzegging van een overlijdensrisicoverzekering in lijn is met de voorwaarden, waaruit volgt dat toestemming van de bank is vereist wanneer de overlijdensrisicoverzekering gekoppeld is aan de hypothecaire geldlening. Bij het geven van toestemming mag de bank (nadere) voorwaarden stellen. In dit geval: het inschakelen van een adviseur. Dat betekent ook dat het de bank vrijstaat om te bepalen in welke gevallen zij géén specifieke voorwaarden stelt bij de beëindiging van een overlijdensrisicoverzekering, waaronder het inschakelen van een adviseur, zoals de bank dat kennelijk doet in het geval van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Verder begrijpt de commissie uit het dossier dat de bank als hypotheekverstrekker een belang heeft bij het al dan niet aanhouden van de overlijdensrisicoverzekering. De overlijdensrisicoverzekering biedt de bank immers extra zekerheid bij de voldoening van de hypotheekschuld. (…)”.
Kalkman 2013, p. 152-153; Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/680; Rijkels 2023, p. 1232.
Kalkman 2013, p. 152-153; Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/680.
Art. 7:990 BW.
Kamerstukken II 1985/86, 19529, nr. 3, p. 63-64.
Art. 1.7 lid 1 onderdeel a Wet inkomstenbelasting 2001.
Art. 3.124 juncto art. 3.108 Wet inkomstenbelasting 2001.
Art. 3.125 Wet inkomstenbelasting 2001. Zie hierover onder meer Stam, Weekblad Fiscaal Recht 24 juni 2021, p. 900-901.
Art. 3.133 lid 2 onderdeel d Wet inkomstenbelasting 2001.
Art. 30i lid 1, sub b en art. 30i lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Procureur-generaal R.E.C.M. Niessen gaat in zijn conclusie voor de Hoge Raad van 31 mei 2021 aan de hand van de wettekst, wetsgeschiedenis en literatuur diep in op het juridisch karakter van revisierente (ECLI:NL:PHR:2021:538). Dat de (fiscale) wetgever in art. 30i, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen het woord rente gebruikt, verwijst naar gemis door de staat aan rente in vergelijking met de situatie waarin de belanghebbende geen premie-aftrek had genoten. Van rente (in civielrechtelijke zin) is geen sprake. Hij geeft aan dat revisierente een vergoeding is van door de Staat geleden renteschade, in wezen een separate heffing annex aan de inkomstenbelasting.
Alleen bij afkoop van een kleine lijfrente ligt dit genuanceerder. Op grond van art. 3.133 lid 2 onder d Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst per 1 januari 2023) is er géén sprake van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen ingeval een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen waarvan nog geen termijnen zijn vervallen, in één bedrag wordt uitgekeerd en de waarde in het economisch verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan EUR 4.898. Deze uitkering in één bedrag wordt als een termijn van een lijfrente aangemerkt. Het gevolg daarvan is dat er over deze uitkering wél inkomstenbelasting is verschuldigd. Maar omdat er géén sprake is van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, is er geen revisierente verschuldigd. Art. 30i lid 1, sub b en art. 30i lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen bepalen immers dat met betrekking tot inkomstenbelasting revisierente verschuldigd is, indien ingevolge art. 3.133 Wet inkomstenbelasting 2001 premies voor een aanspraak op periodieke uitkeringen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen. Op grond van de wettekst van art. 3.133 Wet inkomstenbelasting 2001 is er in geval van de uitkering van een lijfrente kleiner dan EUR 4.898 geen sprake van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
Van Hooff, Tijdschrift Financiering, zekerheden en insolventierechtpraktijk 2018/1, p. 46.
Lavrijssen 2015, p. 31 licht in haar proefschrift over het faillissement van verzekeraars en saneringsmaatregelen ook toe dat wanneer grote aantallen verzekerden tegelijkertijd hun levenpolis zouden afkopen, de levensverzekeraar in liquiditeitsproblemen kan komen. Meewerken aan de afkoop van lijfrenteverzekeringen terwijl de polisvoorwaarden een afkoopverbod bevatten, zal naar mijn mening bovendien bij een portefeuilleoverdracht waarschijnlijk in strijd komen met de tussen de overdragende en de verkrijgende verzekeraar ten aanzien van de over te dragen verzekeringsportefeuille gemaakte afspraken.
Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 803.
Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 803, p. 4: “In de wet is opgenomen dat geen sprake is van het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen als een lijfrente die voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor premieaftrek wordt omgezet in een ander zodanig recht. Dat betekent dat wanneer een consument een fiscaal gefaciliteerd lijfrenteproduct heeft en dit wil overbrengen naar een andere aanbieder geen belastingheffing en revisierente verschuldigd zijn als de lijfrente bij een andere aanbieder ook voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor premieaftrek. Voorwaarde hiervoor is wel dat (het geld van) de lijfrente rechtstreeks van de ene aanbieder naar de andere aanbieder gaat en dat de consument hier dus niet op enigerlei wijze de beschikking over mag krijgen. Als sprake is van de hiervoor genoemde fiscaal geruisloze omzetting van de ene lijfrente in de andere lijfrente dan is bij een overstap op het gebied van de belastingheffing derhalve geen sprake van kosten voor de consument. Overigens geldt dit voor lijfrenten bij verzekeraars en bancaire lijfrenten.”
Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 803, p. 5: “Bovendien kunnen kosten op het gebied van de belastingheffing voor de consument worden voorkomen met een fiscaal geruisloze omzetting van een lijfrente.”
Art. 10bis.3 Wet inkomstenbelasting 2001.
Volgens de tekst van art. 10bis.6 lid 1 Wet inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2023. Het bedrag wordt elk jaar per 1 januari aangepast. Op grond van art. 10bis.6 lid 3 Wet inkomstenbelasting 2001 wordt het bedrag (onder meer) verminderd met het bedrag aan uitkering uit een kapitaalverzekering dat eerder ten aanzien van de belastingplichtige voor de toepassing van lid 1 in aanmerking is genomen. Anders gezegd, als al een deel van de vrijstelling is ‘verbruikt’, blijft alleen het resterende (maar wel geïndexeerde) deel over.
Art. 10bis.8 Wet inkomstenbelasting 2001.
Zie over dit artikellid Venker 2023, p. 426.
Lavrijssen 2015, p. 31 “Het voortijdig afkopen van een levensverzekeringspolis gaat (…) meestal gepaard met hoge kosten, boetes et cetera, en is daardoor minder aantrekkelijk voor verzekerden. Afkoop van een schadeverzekering is niet mogelijk, omdat de premies die worden betaald voor een schadeverzekering niet bestemd zijn voor die specifieke verzekerde maar voor het collectief van verzekerden. De enige mogelijkheid is om over te gaan tot opzegging van de schadeverzekering. Het gevolg daarvan is dat de dekking van de schadeverzekering eindigt na het verstrijken van de opzegtermijn en dat eventueel onverschuldigd betaalde premie moet worden terugbetaald door de schadeverzekeraar. De kans op een run op de verzekeraar is daarom erg klein.”
Inleiding
Indien een polishouder om wat voor reden dan ook geen polishouder wenst te zijn van de verzekeraar die de verzekeringsportefeuille verkrijgt, zou hij kunnen overwegen de overeenkomst van levensverzekering op te zeggen en dan te vorderen dat de verzekeraar de verzekeringsovereenkomst afkoopt. Door afkoop van de gehele verzekering eindigt de verzekering. In het geval van afkoop ontvangt de verzekeringnemer de afkoopwaarde van de verzekering.1 Er is echter een behoorlijke kans dat een polishouder tot de conclusie komt dat dit voor hem juridisch niet mogelijk is of dat dit voor hem geen aantrekkelijke optie is. Degene die overweegt om een overeenkomst van levensverzekering af te laten kopen zou zich in ieder geval de volgende vier vragen moeten stellen.
Vraag 1. Is het op grond van de polisvoorwaarden mogelijk de overeenkomst van levensverzekering af te laten kopen?
Op grond van art. 7:978 lid 1 BW heeft een verzekeringnemer het recht een verzekering, voor zover deze stellig voorziet in een of meer uitkeringen, geheel of gedeeltelijk door de verzekeraar te doen afkopen. Volgens de toelichting bij dit wetsartikel is er sprake van een verzekering die stellig voorziet in een of meer uitkeringen indien “(de invloed van niet-betaling van premie daargelaten) van meet af aan vaststaat dat de verzekeraar te eniger tijd, vroeg of laat, verplicht zal zijn een of meer uitkeringen te doen”.2 Voorbeelden van levensverzekeringen die voorzien in een stellige uitkering zijn de gemengde3 kapitaalverzekering en de levenslange overlijdensrisicoverzekering.4 Art. 7:978 lid 1 BW is volgens art. 7:976 BW echter niet van toepassing bij verzekeringen strekkende tot voorziening in de kosten van lijkbezorging. Bij die verzekeringen, waaronder natura-uitvaartverzekeringen, heeft de verzekeringnemer dus geen recht om de verzekering te doen afkopen. Art. 7:976 BW is van regelend recht, zodat de verzekeringnemer en verzekeraar in de verzekeringsvoorwaarden kunnen vastleggen dat wel een recht op afkoop bestaat.5
Indien een levensverzekering dus niet stellig voorziet in een of meer uitkeringen, dan zal in de polisvoorwaarden niet het recht op afkoop zijn toegekend. Voorbeelden van levensverzekeringen die niet voorzien in een stellige uitkering – en waarbij de verzekeringnemer dus niet het recht heeft om de verzekering af te doen kopen – zijn tijdelijke kapitaalverzekeringen bij overlijden en kapitaalverzekeringen die alleen uitkeren bij in leven zijn van de verzekerde.6 Voor die levensverzekeringen kan de verzekeringnemer dus niet van het recht van afkoop gebruik maken indien een portefeuilleoverdracht nadert of onlangs heeft plaatsgevonden. In de toelichting bij het wetsartikel is daarbij wel een nuancering vermeld. Verzekeringen die de verzekeraar alleen bij het in leven zijn van de verzekerde op een overeengekomen tijdstip tot uitkering verplichten, leiden niet stellig tot uitkering. In beginsel heeft de verzekeringnemer dus niet het recht een dergelijke verzekering af te kopen. In de praktijk zou de verzekeringnemer volgens de toelichting wel gelegenheid worden gegeven zo’n verzekering te doen afkopen, op voorwaarde dat de goede gezondheid van de verzekerde wordt aangetoond, bij voorbeeld door middel van een medische keuring.7
Daarbij komt dat art. 7:978 lid 1 BW van regelend recht is.8 De verzekeraar kan ook indien een verzekering wel stellig voorziet in een of meer uitkeringen toch in de polisvoorwaarden bepalen dat de verzekering niet kan worden afgekocht. Dat gebeurt met name op grond van fiscale wettelijke voorschriften (zie hierna).9 Indien in de polisvoorwaarden is opgenomen dat de verzekeringsovereenkomst niet kan worden afgekocht, kan de verzekeraar dat polisbeding in beginsel aan de verzekeringnemer tegenwerpen indien deze verzekeringnemer in verband met een portefeuilleoverdracht die nadert of onlangs heeft plaatsgevonden de verzekering zou willen afkopen.
Voor de volledigheid wil ik opmerken dat het Burgerlijk Wetboek in art. 7:940 lid 2 voor verzekeringen die zijn aangegaan voor een periode van meer dan vijf jaar en die niet op grond van de polisvoorwaarden kunnen worden beëindigd toch aan de verzekeringnemer de mogelijkheid biedt om deze tegen het einde van elk vijfde jaar van de contractstermijn op te zeggen. Deze bepaling zou na een portefeuilleoverdracht de polishouder mogelijk dus toch op enig moment de mogelijkheid kunnen bieden om de levensverzekeringsovereenkomst op te zeggen.10 Een afkoopwaarde ontvangt hij dan in beginsel niet. Het zal dus waarschijnlijk niet aantrekkelijk zijn om van deze juridische mogelijkheid gebruik te maken.
Ook wil ik voor de volledigheid opmerken dat de verzekeringnemer eventueel op grond van art. 7:978 lid 2 BW het recht toekomt de verzekering premievrij voort te zetten, indien de verzekering premievrije waarde heeft. De nieuwe verzekeraar en de polishouder blijven dan voor wat betreft de al opgebouwde waarde met elkaar verbonden. Indien er een portefeuilleoverdracht plaatsvindt en de polishouder heeft bezwaren tegen de nieuwe verzekeraar, dan biedt premievrijmaken dus alleen de mogelijkheid om te zorgen dat de “investering” van de polishouder niet groter wordt. Zij “komen niet los van elkaar”. Om die reden laat ik het bespreken van de juridische aspecten van premievrijmaken hier verder achterwege.
Vraag 2. Gelden er voorwaarden waaraan voldaan moet worden om te mogen afkopen?
a. Nadat de begunstigde zijn aanwijzing heeft aanvaard, kan de verzekeringnemer de verzekering alleen met schriftelijke toestemming van de begunstigde doen afkopen.11
b. Ook geldt dat wanneer een beperkt recht (zoals een pandrecht) is gevestigd op de voor de verzekeringnemer uit de overeenkomst voortvloeiende rechten de verzekeringnemer zijn recht om af te doen kopen slechts kan uitoefenen met schriftelijke toestemming van de beperkt gerechtigde.12 Bijvoorbeeld in de verzekeringsvoorwaarden van een kapitaalverzekering verbonden aan een spaarhypotheek kan zijn opgenomen dat indien en zolang de verzekeringsovereenkomst verbonden is aan een spaarhypotheek afkoop uitsluitend is toegestaan met voorafgaande schriftelijke toestemming van de geldgever.13 De geldgever kan de verzekeringnemer die zich meldt om toestemming te krijgen om de verzekering af te kopen verplichten om een financieel adviseur in te schakelen. Dit valt af te leiden uit een uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening uit 2021.14 Het ging in deze uitspraak om de opzegging van een overlijdensrisicoverzekering. De klant was naar de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening gestapt, omdat hij het er niet mee eens was dat hij kosten moest gaan maken om een financieel adviseur in te schakelen. Ik meen dat het in deze uitspraak voor wat betreft een opzegging bepaalde op overeenkomstige wijze zal gelden indien een verzekeringnemer voor het afkopen van een verzekering de toestemming van de beperkt gerechtigde nodig heeft.
Vraag 3. Wat is de afkoopwaarde?
De afkoopwaarde van een levensverzekering is meestal in de ogen van de verzekeringnemer relatief laag. Voor de afkoopwaarde van een verzekering met een spaarelement is namelijk in beginsel de voor de verzekering gevormde premiereserve bepalend. Het gedeelte van de premie nodig voor de dekking van het risico van overlijden en/of van arbeidsongeschiktheid en het gedeelte van de premie dat de verzekeraar nodig heeft voor de kosten, die bij het sluiten van de verzekering en tijdens de duur van de verzekering worden gemaakt, dragen niet bij aan de vorming van de premiereserve.15 Ook worden kosten die de verzekeraar bij het sluiten van de verzekering heeft gemaakt voor zover deze kosten nog niet via de premie in rekening waren gebracht op het moment van afkoop in beginsel alsnog in één keer in mindering gebracht op de afkoopwaarde.16 Gedurende de looptijd van een overeenkomst van levensverzekering moet de levensverzekeraar indien de klant daarom verzoekt informatie verstrekken over de actuele afkoopwaarde en de wegens afkoop verschuldigde kosten.17
Vraag 4. Wat zijn de fiscale consequenties van het gebruik maken van het recht van afkoop?
Aan het afkopen van een levensverzekering zijn ook fiscale consequenties verbonden. De aard daarvan verschilt al naar gelang de aard van de levensverzekering.
a. Lijfrenteverzekeringen.
Lijfrente is het van het in leven zijn van één of meer personen afhankelijke recht op een periodieke uitkering in geld.18 Op een levensverzekering waarbij een lijfrente wordt bedongen, zijn de bepalingen van Boek 7 titel 17 BW, aangevuld met die van titel 18 (“Lijfrente”), van toepassing.19
De Wet inkomstenbelasting 2001 heeft een eigen definitie van een lijfrenteverzekering: “een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen (…)”.20 Premies voor lijfrenten als bedoeld in deze definitie die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden tot een ook in de wet geregeld maximum bedrag beschouwd als uitgaven voor inkomensvoorzieningen die als aftrekbare kosten in mindering mogen worden gebracht op het belastbaar inkomen.21 Slechts een aantal vormen van lijfrenten worden beschouwd als lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort.22
Indien de verzekeringnemer die lijfrente afkoopt dan heeft hij achteraf gezien ten onrechte aanspraak gemaakt op een belastingaftrek en moeten de betaalde premies weer bij het belastbaar inkomen worden opgeteld.23 Deze worden dan als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. Daarnaast is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een revisierente verschuldigd van in beginsel 20% van de waarde in het economisch verkeer van de aanspraak.24 De bijtelling bij het belastbaar inkomen en de revisierente kunnen dus tot een forse heffing leiden.25
De verzekeraar neemt gelet op de definitie van lijfrente in art. 1.7 Wet inkomstenbelasting 2001 in de polisvoorwaarden van dergelijke lijfrenten een afkoopverbod op. De verzekeringnemer en de verzekeraar komen dus om fiscale redenen een civielrechtelijk afkoopverbod overeen.26 Indien de verzekeringnemer wil afkopen en bereid is de negatieve fiscale consequenties daarvan voor lief te nemen, is het verbintenisrechtelijk op zich mogelijk om in afwijking van de polisvoorwaarden overeen te komen dat toch kan worden afgekocht. Dat kan dus alleen als de verzekeraar in weerwil van het afkoopverbod in de polisvoorwaarden toch bereid is aan een afkoop mee te werken. Indien zich in het kader van een portefeuilleoverdracht meerdere polishouders zouden melden met een dergelijk verzoek, verwacht ik niet dat de verzekeraar aan afkoop in afwijking van de overeengekomen polisvoorwaarden wil meewerken. Dat is immers dan niet in zijn belang.27
Er is echter wel een zogenoemde fiscale doorschuiffaciliteit. Voor zover een lijfrente wordt omgezet in een ander zodanig recht wordt het tweede recht beschouwd als een voortzetting van het eerste.28 Dan is er sprake van een handeling die bij het berekenen van het belastbaar inkomen niet in aanmerking wordt genomen als een negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen. In mijn eigen woorden gezegd, betekent dit eigenlijk dat als een polishouder bereid is om de hoogte van de afkoopwaarde voor lief te nemen, hij met dat bedrag naar een andere aanbieder van lijfrentes kan gaan, zonder dat hij dan ook nog eens te maken krijgt met negatieve fiscale consequenties van zijn besluit om af te kopen.
In 2019 zijn door Nijboer Kamervragen gesteld over de rechten van consumenten bij fusies en overnames in de financiële sector.29 In de antwoorden op vraag 830 en 10/1131 wordt naar deze fiscale doorschuiffaciliteit verwezen. Het zou de duidelijkheid van deze passages echter ten goede zijn gekomen als tevens was opgemerkt dat dergelijke lijfrentepolissen een afkoopverbod bevatten en dat de verzekeraar civielrechtelijk daarom niet verplicht is in het kader van een portefeuilleoverdracht mee te werken aan een omzetting naar een andere verzekeraar of een bank. Het is als gezegd in beginsel niet in het belang van de verzekeraar in die omstandigheden mee te werken aan afkoop. Indien de verzekeraar in het geval van een portefeuilleoverdracht niet bereid is van het afkoopverbod in de polisvoorwaarden af te wijken, dan komt men aan de toepassing van deze fiscale doorschuiffaciliteit helemaal niet toe. De toepassing daarvan kan dan pas aan de orde zijn aan het einde van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de ingangsdatum van de verzekering.32
b. Kapitaalverzekeringen.
Over sinds 31 december 2012 gesloten kapitaalverzekeringen wordt in beginsel belasting geheven in “box 3” (het belastbare inkomen uit sparen en beleggen). Voor die datum gesloten kapitaalverzekeringen die aan alle gestelde voorwaarden voldoen worden op grond van overgangsrecht nog wel beschouwd als kapitaalverzekeringen eigen woning in “box 1” (het belastbare inkomen uit werk en woning). Als een dergelijke kapitaalverzekering wordt afgekocht wordt deze geacht geheel tot uitkering te zijn gekomen.33 Het voordeel uit de kapitaalverzekering voor de eigen woning wordt dan geacht onder de belastbare inkomsten uit eigen woning te vallen.34 Op de rente begrepen in de uitkering is een vrijstelling van inkomstenbelasting van toepassing voor zover de uitkering niet meer bedraagt dan EUR 184.50035 indien de uitkering heeft gediend als aflossing van de eigenwoningschuld.36 In verband met de vervroegde aflossing is dan waarschijnlijk wel een (forse) boeterente verschuldigd aan de hypotheekhouder (de “hypotheekbank”). De afkoopwaarde zal waarschijnlijk te laag zijn om de hypothecaire geldlening volledig af te lossen. Er resteert dan een restschuld. De belastingheffing vindt in beginsel niet plaats indien de kapitaalverzekering wordt afgekocht en vervolgens een soortgelijke verzekering wordt gesloten bij een andere verzekeraar (“fiscaal geruisloze voortzetting”) (“oversluiten”).37 Zoals hiervoor aangegeven zal daarvoor echter de toestemming van de hypotheekhouder (dus de verstrekker van de hypothecaire geldlening) noodzakelijk zijn. De voorheen noodzakelijke duur van een kapitaalverzekering eigen woning voordat een beroep kon worden gedaan op de vrijstelling van heffing over de rente in de verzekeringsuitkering (waardoor afkoop dus onverstandig kon zijn omdat daardoor de noodzakelijke duur niet werd gehaald) is niet meer van toepassing, omdat de overheid vervroegde aflossing van eigen woning schulden wilde stimuleren. Een polishouder die afkoop van een kapitaalverzekering eigen woning overweegt, doet er dus verstandig aan een financieel adviseur in te schakelen om de financiële gevolgen in detail in kaart te brengen.
Laten afkopen van een levenpolis zal al met al voor een polishouder weinig aantrekkelijk zijn
Aan het laten afkopen van levensverzekeringen zitten dus nogal wat haken en ogen. Levensverzekeringen die niet stellig tot een of meer uitkeringen leiden kunnen niet worden afgekocht, het recht op afkoop kan uitgesloten zijn of er kunnen voorwaarden aan zijn verbonden (zoals het verkrijgen van toestemming van de begunstigde of de hypotheekhouder). De afkoopwaarde is relatief laag. De consequenties van de in geval van afkoop, al dan niet gevolgd door oversluiten, toepasselijke bepalingen van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Algemene wet inzake rijksbelastingen moeten voor het individuele geval ook goed worden bekeken.
Daarbij komt dan ook nog dat de klant inmiddels ouder is geworden, zodat hij indien hij bij een andere verzekeraar een nieuwe verzekering wil sluiten waarschijnlijk vervolgens een hogere premie moet betalen om op een bepaalde einddatum het financiële doel te realiseren. Ook kan het zijn dat hij inmiddels medische klachten heeft gekregen waardoor hij bij een andere levensverzekeraar meer premie moet betalen voor een dergelijke levensverzekering. De lopende verzekering kon door de verzekeraar niet worden gewijzigd in verband met de verzwaring van het gezondheidsrisico. Art. 7:940 lid 5 BW stond daaraan in de weg. De mogelijkheid van verzwaring van het gezondheidsrisico komt tijdens de looptijd van de verzekering voor risico van de verzekeraar.38 Een nieuwe verzekering wordt dan echter waarschijnlijk alleen tegen een hogere premie geaccepteerd. Het kan ook zijn dat een andere verzekeraar niet bereid is een levensverzekeringsovereenkomst met deze kandidaat-verzekeringnemer te accepteren.
De polis tussentijds beëindigen is in geval van een levenpolis dus al met al “minder aantrekkelijk”.39 Een polishouder die dat overweegt doet er in ieder geval verstandig aan een financieel adviseur in te schakelen. De kosten daarvan zijn voor rekening van de polishouder. Indien het gaat om de afkoop van een door de hypotheekgever aan de hypotheekhouder (de “hypotheekbank”) verpande levensverzekering stelt de hypotheekhouder dat mogelijk zelfs verplicht.