Arbeidsrecht en insolventie
Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/7.4.1:7.4.1 Ammerlaan
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/7.4.1
7.4.1 Ammerlaan
Documentgegevens:
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS303578:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof ‘s-Gravenhage 10 januari 1996, JOR 1996/16 (Ammerlaan), m.nt. Kortmann.
Over de definitie van misbruik van bevoegdheid in het kader van het aanvragen van het eigen faillissement zijn betrekkelijk kort na de zaak-Ammerlaan publicaties verschenen van de hand van onder meer Van het Kaar (ArbeidsRecht 1996/50), Verstijlen, TvI 2002/2 en Jacobs, SMA 2002/6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het startschot werd in dit opzicht in 1996 gegeven door het Gerechtshof Den Haag in de veelbesproken Ammerlaan-zaak, die vanwege haar exemplarische karakter wordt besproken.1 Ammerlaan Diensten BV (verder: Ammerlaan) had op 9 november 1995 haar eigen faillissement aangevraagd. De Rechtbank Den Haag sprak het faillissement op 15 november uit. Tijdens het faillissement werden de werknemers op de voorgeschreven wijze door de curator ontslagen. Enkele weken voor het faillissement had Ammerlaan zich echter al tot de Kantonrechter Delft gewend waar zij ontbinding van de arbeidsovereenkomsten van een aantal werknemers had verzocht. De kantonrechter meende dat Ammerlaan haar verzoeken onvoldoende had onderbouwd en gaf haar tot 20 november de tijd om nadere inlichtingen te verschaffen. Vervolgens werd in een buitengewone aandeelhoudersvergadering van Ammerlaan op 6 november besloten het eigen faillissement aan te vragen, hetgeen dus op 9 november geschiedde. Enkele ontslagen werknemers kwamen tegen de faillietverklaring in verzet. De rechtbank wees dat verzet af. In het hoger beroep voor het hof voerden de werknemers aan dat Ammerlaan erop had gerekend dat de kantonrechter de gevraagde ontbindingen van de arbeidsovereenkomsten zou verlenen onder toekenning van een geringe vergoeding. Nu de kantonrechter naar de mening van Ammerlaan daar niet snel genoeg toe had besloten, had zij haar eigen faillissement aangevraagd. Dit had geleid tot de eenvoudigere en waarschijnlijk goedkopere opzeggingen door de curator. Nu Ammerlaan deze stelling niet voldoende betwistte, concludeerde het hof dat zij:
"(...) haar eigen faillissement heeft aangevraagd met het vooropgezet doel afbreuk te doen aan de arbeidsrechtelijke bescherming waarop appellanten aanspraak hebben. Onder deze omstandigheden levert de onderhavige faillissementsaanvraag misbruik van bevoegdheid op en moet derhalve deze aanvraag (...) alsnog worden afgewezen. De vraag of geïntimeerde verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen kan daarbij in het midden blijven."
Uit dit arrest kon nog niet zonder meer worden opgemaakt of het voor de vernietiging van het faillissement wegens misbruik van bevoegdheid uitmaakt of het ontgaan van arbeidsrechtelijke bescherming het hoofddoel of zelfs het uitsluitende doel van de faillissementsaanvraag moet zijn geweest (de 'beperkte leer'), of dat voldoende is dat dit mede een doel is geweest (de 'ruime leer').2 Het hof lijkt er niettemin in deze zaak vanuit te zijn gegaan dat het ontlopen van arbeidsrechtelijke regels inderdaad het hoofddoel was. Het wachten was op een oordeel van de Hoge Raad.