Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/3.5
3.5 De ontbinding van een ‘lege BV’ op grond van artikel 2:19a BW
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS388749:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1991/92, 22 482, nr. 3 (MvT), p. 2.
Slagter/Assink 2013 (Deel 1), nr. 21.
Begin januari 2015 is het ambtelijk wetsvoorstel tot Wijziging van de Handelsregisterwet 2007 en het Burgerlijk Wetboek in verband met de evaluatie van de Handelsregisterwet 2007, alsmede regeling van enkele andere onderwerpen in die wetten, voor internetconsulatie aangeboden. Eén van de ‘andere onderwerpen in die wetten’ betreft de aanpassing van artikel 2:19a BW. Voorgesteld wordt om aan het huidige artikel 2:19a BW twee ontbindingsgronden toe te voegen teneinde de slagvaardigheid van de Kamer van Koophandel bij het ontbinden van lege rechtspersonen te vergroten. Het wetsvoorstel introduceert de volgende twee ontbindingsgronden: ‘de rechtspersoon heeft ten minste drie aaneengesloten tijdvakken geen aangifte voor de omzetbelasting dan wel voor de loonheffing ingediend, of nihilaangiften voor de omzetbelasting dan wel voor de loonheffing ingediend’ en ‘de rechtspersoon is niet of niet meer gevestigd op het in het handelsregister ingeschreven adres, terwijl ook geen opgave tot wijziging van dit adres is gedaan’. Zie Wessel 2015, p. 94-97 voor de vraag of deze beoogde regeling haar doel niet voorbijschiet.
In 1994 werd de mogelijkheid tot ontbinding van rechtspersonen door de Kamer van Koophandel ex artikel 2:19a BW, de ontbinding van niet-actieve rechtspersonen langs administratieve weg, ingevoerd. Volgens de memorie van toelichting was het achterliggend doel daarbij de ontbinding van rechtspersonen die hun werkzaamheden hebben beëindigd of die nooit actief zijn geweest, te vereenvoudigen. Het werd wenselijk geacht om dergelijke ‘lege vennootschappen’ op eenvoudige wijze te ontbinden, enerzijds om te voorkomen dat daarvan misbruik wordt gemaakt en anderzijds om de handelsregisters, waarin deze rechtspersonen staan ingeschreven, te ontlasten. Bovendien zou het nieuwe artikel 2:19a BW ertoe leiden dat de rechterlijke macht werd ontlast voor wat betreft de ontbindingen ex artikel 2:185 BW.1 Volgens Assink is de gedachte achter de invoering van artikel 2:19a BW tevens gelegen in het feit dat voor de aandeelhouder(s) van lege rechtspersonen in de regel geen uitkering in het verschiet ligt, als gevolg waarvan een ontbindingsbesluit door de rechtspersoon vaak niet wordt genomen.2
De Kamer van Koophandel dient ingevolge het eerste lid van artikel 2:19a BW een BV te ontbinden indien zich ten minste twee daarin genoemde situaties voordoen.3 Indien dit het geval is, volgt hierop niet direct de ontbinding van de BV. Op grond van het derde lid van artikel 2:19a BW deelt de Kamer van Koophandel de BV en de ingeschreven bestuurders bij aangetekende brief mee dat zij voornemens is tot ontbinding van de BV over te gaan, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond. Deze mededeling wordt ingeschreven in het handelsregister en wanneer de bestuurders van de BV niet bekend zijn, doet de Kamer tevens van het voornemen tot ontbinding een mededeling opnemen in de Staatscourant. Vervolgens heeft de BV acht weken de tijd ervoor te zorgen dat de omstandigheden waarop het ontbindingsvoornemen is gebaseerd, zich niet meer voordoen. Indien na verloop van acht weken de omstandigheden nog steeds aan de orde zijn, wordt de BV bij beschikking door de Kamer van Koophandel ontbonden, aldus het vierde lid van artikel 2:19a BW. Onvoldoende voor ontbinding is dat de BV na afloop van de acht-wekentermijn nog slechts in verzuim is ter zake van één omstandigheid.4 De beschikking wordt bekend gemaakt aan de BV en de ingeschreven bestuurders alsmede opgenomen in de vorm van een mededeling in de Staatscourant (artikel 2:19a lid 5 en 6 BW).
Tegen de ontbindingsbeschikking staat beroep open bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (hierna ook: CBB) door iedere rechtstreeks belanghebbende, waaronder ook een aandeelhouder of bestuurder kan worden verstaan. Een beroep heeft geen schorsende werking.5
Teneinde te voorkomen dat er een samenloop plaatsvindt tussen artikel 2:19a BW en artikel 2:185 BW is in het eerste lid van artikel 2:185 BW opgenomen dat het OM de Kamer van Koophandel – in wiens handelsregister de BV is ingeschreven – meedeelt dat het voornemens is een verzoek tot ontbinding in te stellen. Vice versa is in het derde lid van artikel 2:19a BW opgenomen dat van het voornemen van de Kamer van Koophandel tot ontbinding opgaaf wordt gedaan aan het handelsregister. Het OM zal voordat zij een verzoek tot ontbinding ex artikel 2:185 lid 1 BW doet het handelsregister dienen te raadplegen.