Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.6.2
5.6.2 Openbare scholen
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949532:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Boer e.a. 2013, p. 10 en Huisman e.a. 2017, p. 53 e.v.
De rechtspersoonlijkheid van de openbare universiteiten blijkt uit artikel 1.8, tweede lid, van de WHW. Zie ook Postma 2006, p. 10.
Artikel 48 van de Wpo en artikel 3.10 van de Wvo 2020.
Noorlander 2005, p. 246.
Boer e.a 2013, p. 11.
Zoontjens 2023, p. 467, ABRvS 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3128 en ABRvS 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1885.
B.P. Vermeulen en P.J.J. Zoontjens, ‘Het ‘algemene’ bestuursrecht en het ‘bijzondere’ onderwijsrecht’, in: C.A.J.M. Kortmann e.a., De Awb en de bijzondere wetgeving, VAR reeks 124, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2000, p. 103. Zie bijvoorbeeld ABRvS 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3785.
Openbare scholen kunnen in twee groepen verdeeld worden: 1) openbare scholen ingesteld krachtens publiekrecht en 2) openbare scholen ingesteld krachtens burgerlijk recht.1 Van een openbare school die krachtens publiekrecht is ingesteld, kan sprake zijn in het primair, voortgezet en hoger onderwijs. Het middelbaar en hoger beroepsonderwijs kennen in de praktijk enkel bijzondere instellingen die krachtens privaatrecht zijn ingesteld. In het primair en voortgezet onderwijs is er sprake van een krachtens publiekrecht ingestelde openbare school als de betreffende school een orgaan is van de gemeente of van een openbaar lichaam, als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen.2 De openbare universiteiten zijn tevens gestoeld op publiekrechtelijke rechtspersonen.3 De bevoegde gezagen van de openbare scholen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld zijn allen a-orgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder a, van de Awb.
Er zijn ook besturen van openbare scholen die niet krachtens publiekrecht zijn ingesteld, maar krachtens burgerlijke recht. Hiervan is sprake als het een stichting betreft in het primair of voortgezet onderwijs die een openbare school in stand houdt.4 Een dergelijke school is een b-orgaan in de zin van artikel 1:1,
eerste lid, onder b, van de Awb.5 Evenwel valt een groot deel van het handelen van deze stichting onder de werking van de Awb. De beslissingen van deze scholen worden als besluit aangemerkt in zoverre het taken en bevoegdheden betreft die het bevoegd gezag heeft op grond van de betreffende onderwijswet. Voor openbare scholen zijn de voorschriften uit de onderwijswetten aan te merken als algemeen verbindende voorschriften.6 Het bevoegd gezag wordt daarom met betrekking tot alle taken en bevoegdheden die zij heeft op grond van de wet aangemerkt als bestuursorgaan.7 De leerling dient dan ook tegen beslissingen van een openbare school die een uitoefening zijn van openbaar gezag, waarbij eenzijdig de rechtspositie van de leerling wordt bepaald, bezwaar en vervolgens beroep in te stellen bij de bestuursrechter. Dit is bijvoorbeeld het geval bij toelating, schorsing of verwijdering van een leerling.8