Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.3.2.a
VII.3.3.2.a De inschrijvingsplicht
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242764:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 40 (MvT).
Ook deze verplichting is voor bestuurders van een BV met de inwerkingtreding van de Wet Flex BV komen te vervallen, zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 40 (MvT).
Idem Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:69/180, aant. 2.1; en Snijder-Kuipers, T&C Ondernemingsrecht, art. 18 Hrgw, aant. 1a. Vgl. HR 14 januari 1994, NJ 1994, 405 m.nt. Maeijer (Stichting Handreiking), waarin de Hoge Raad zulks bepaalde voor stichtingsbestuurders met betrekking tot inschrijvingen in het toen nog fungerende stichtingenregister.
Idem Bulten 2012, p. 25. Dat de inschrijvingsplicht een taak is die kan worden toebedeeld aan een uitvoerend bestuurder, erkende ook de minister. Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 15-16 (NV).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 15-16 (NV).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 15-16 (NV).
Ik wijs erop dat deze sancties niet gelden als de bestuurders van een NV de verplichting tot het doen van opgave van de kosten als bedoeld in art. 2:69 lid 1 BW niet nakomen. Zowel art. 47 Hrgw als art. 2:69 lid 2 aanhef en sub a BW verwijst slechts naar de niet-nakoming van de verplichting om de vennootschap, vergezeld van de neer te leggen afschriften, te doen inschrijven in het handelsregister. Evenzo Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/70.
Zie Kamerstukken II 1983/84, 16 551, 11, p. 8 (NEV). Idem Meijer-Wagenaar, WPNR 2020/7267, p. 62.
Zie Kamerstukken II 1980/81, 15 304, 12, p. 9 (NEV).
A-G Vlas in zijn conclusie bij HR 28 januari 2011, NJ 2011, 167 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2011/70 m.nt. Groffen (Staalbankiers).
HR 28 januari 2011, NJ 2011, 167; JOR 2011/70 (Staalbankiers). De Hoge Raad verwijst onder meer naar Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 40 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 058, 6, p. 15-16 (NV).
Zoals ik al schreef, zijn de bestuurders van een NV en een BV op grond van art. 6 Hrgw jo. 2:69/180 lid 1 BW verplicht de vennootschap te doen inschrijven in het handelsregister. De wet schrijft daarnaast voor dat zij een authentiek afschrift van de akte van oprichting en de daaraan op grond van art. 2:93a BW, art. 2:94/204 BW en/of art. 2:94a BW te hechten stukken neerleggen ten kantore van het handelsregister. Vanwege de afschaffing van de bankverklaring en accountantsverklaring met de inwerkingtreding van de Wet Flex-BV, zijn slechts de bestuurders van een NV verplicht een afschrift van de aan de oprichtingsakte te hechten bankverklaring bij storting in geld of beschrijving en accountantsverklaring bij inbreng anders dan in geld, te deponeren.1 Op laatstgenoemden rust tot slot de plicht opgave te doen van de kosten die met de oprichting verband houden en ten laste van de vennootschap komen.2
Uit art. 2:69/180 lid 1 BW jo. 18 lid 1 Hrgw vloeit voort dat de inschrijvingsplicht onder de verantwoordelijkheid van alle bestuursleden valt. Dit brengt mee dat de iedere bestuurder bevoegd is de vennootschap, vergezeld van de neer te leggen afschriften, te doen inschrijven in het handelsregister. Wat de statuten bepalen omtrent vertegenwoordiging is niet relevant.3 In een one tier board is dat mijns inziens niet anders. Dit betekent dat de niet-uitvoerende bestuurder de vennootschap kan inschrijven in het handelsregister, ondanks dat dit een typisch uitvoerende taak is.4 Ik benadruk dat de verantwoordelijkheid voor de inschrijving in het handelsregister op de niet-uitvoerende bestuurder rust, ook als een uitvoerend bestuurder of de notaris hier zorg voor draagt.5
Zoals de minister tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht al aangaf, doet de niet-uitvoerende bestuurder er goed aan te checken of de vennootschap juist wordt ingeschreven.6 Het niet (tijdig) voldoen aan de inschrijvingsplicht wordt dubbel bestraft.7 In de eerste plaats is niet-nakoming van de inschrijvingsplicht op de voet van art. 47 Hrgw verboden. Handelen in strijd met voornoemde bepaling is op grond van art. 1 sub 4 WED een economisch delict en dus strafbaar. Voldoen de bestuurders niet aan de inschrijvingsplicht, dan lopen zij het risico gesanctioneerd te worden met een hechtenis van ten hoogste zes maanden, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie.8
Daarnaast verbindt de wet een civielrechtelijke sanctie aan de niet-naleving van de inschrijvingsplicht. Zoals gezegd, is de niet-uitvoerende bestuurder op grond van art. 2:69/180 lid 2 BW naast zijn collega-bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor rechtshandelingen waardoor de vennootschap wordt verbonden in het tijdvak voordat de eerste inschrijving heeft plaatsgevonden. Dit tijdvak eindigt op het moment dat de Kamer van Koophandel de opgave ter eerste inschrijving heeft ontvangen.9 De gevestigde aansprakelijkheid blijft evenwel voortbestaan.10
De sancties die de wet verbindt aan het niet (tijdig) voldoen aan de inschrijvingsplicht, zijn niet mals. De bepaling heeft – in de woorden van A-G Vlas – een sterk aangezette ‘stok achter de deur’-functie.11 De vraag komt op waarom de wetgever zoveel waarde hecht aan de inschrijving en depot in het handelsregister. In het arrest Staalbankiers stond de Hoge Raad stil bij de ratio van de bepaling. Met een verwijzing naar de bewoordingen van art. 2:69/180 lid 2 BW en de wetsgeschiedenis, oordeelde hij dat de bepaling niet enkel dient ter bescherming van derden die met de vennootschap handelen in het tijdvak tussen haar oprichting en het moment waarop de opgave ter eerste inschrijving in het handelsregister is geschied. De bepaling beschermt ook het algemeen belang, omdat de inschrijving de rechtszekerheid bevordert en het repressieve toezicht van de overheid vergemakkelijkt.12