Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.3.1.2
3.3.1.2 Artikel 282 lid 4 Rv: toegang via de achterdeur
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS461964:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 282 lid 4 Rv luidt: ‘Het verweerschrift mag een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechter kan aan de verzoeker en aan de overige belanghebbenden gelegenheid geven tegen dit zelfstandige verzoek een verweerschrift in te dienen.’ Zie voor een voorbeeld waarin de vennootschap zelf – en wel tijdens de mondelinge behandeling – een ‘reconventioneel’ verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen heeft ingediend OK 6 februari 1997, rekestnr. 115/97 OK (Thijm).
HR 6 juni 2003,NJ 2003, 486, r.o. 3.3.2 (Scheipar, m.nt. Maeijer). De HR concludeert in r.o. 3.3.3 dat de voormalige bestuurder die onderworpen dreigt te worden aan een onderzoek als belanghebbende kan worden aangemerkt, zowel in de eerste fase als de tweede fase van de procedure: ‘Deze bestuurder zal immers – voor de periode die hem aangaat – voor dat beleid verantwoordelijk kunnen worden gehouden.’
HR 30 maart 2007,JOR 2007, 138 (ATR Leasing, m.nt. Josephus Jitta).
In de onderhavige procedure heeft verzoekster de OK gevraagd een onderzoek te bevelen over de periode van 30 december 2002 t/m 2 februari 2005. De OK heeft een onderzoek gelast over de periode tot 5 mei 2005, althans tot de datum van staking van de onderscheiden ondernemingen, dit overeenkomstig het in het verweerschrift van een belanghebbende vervatte tegenverzoek: OK november 2005,ARO 2005, 192 (ATR Leasing).
OK 6 februari 2003,ARO 2003, 34 (SHGP Tussenholding).
Geerts 2004, p. 252.
OK 25 juni 2002,JOR 2002, 126, r.o. 3.7 en 3.8 (AND International Publishers, m.nt. Josephus Jitta).
Zie in andere zin: Josephus Jitta in zijn noot (onder 3) in JOR 2002, 126 (onder OK 25 juni 2002 (AND International Publishers)); Brink in zijn noot (onder 4) in JOR 2002, 217 (onder OK 25 oktober 2002 (Laurus)); Hermans 2007, p. 170 (onder 3). Vergelijk voorts Leijten 2002, p. 67.
HR 4 juni 1997,NJ 1997, 671, r.o. 4.5.2 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer).
Hermans 2007, t.a.p.
60. Scheipar; ATR Leasing. De vennootschap (dan wel de curator in haar faillissement) en andere belanghebbenden kunnen ingevolge art. 282 lid 1 Rv tegen het verzoek tot het instellen van een onderzoek en het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen ‘tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop van de behandeling een verweerschrift indienen’. Zij hebben langs deze weg de mogelijkheid zich tóch, niettegenstaande de beslissing van de Hoge Raad in De Vries Robbé Groep, actief in de procedure te mengen. Ik doel op het feit dat art. 282 lid 4 Rv hen toestaat in het verweerschrift een tegenverzoek op te nemen, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijk verzoek (het connexiteitsvereiste).1 Het voorgaande roept in de eerste plaats de vraag op wie als belanghebbenden kunnen worden bestempeld. De Hoge Raad heeft deze vraag in de beschikking inzake Scheipar als volgt beantwoord: ‘Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 282 lid 1 [Rv] niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid (HR 25 oktober 1991,NJ 1992, 149). Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.’2 Een tweede vraag is welke gevolgen de inmenging door belanghebbenden heeft voor de beoordelingsvrijheid van de Ondernemingskamer. In dit verband is van belang de beschikking van de Hoge Raad inzake ATR Leasing.3 Ons hoogste rechtscollege heeft hierin beslist dat het – gegeven het feit dat de Ondernemingskamer een ruime mate van vrijheid heeft in de beoordeling van verzoeken tot het instellen van een onderzoek, waarbij het belang van de vennootschap voorop staat, alsook dat de enquêteprocedure op een spoedige beslissing is gericht (vergelijk art. 2: 349a lid 1 BW) – niet past de eis te stellen ‘dat de ondernemingskamer slechts kan beslissen binnen de strikte grenzen van het verzoek zoals verzoekers dit hebben ingekleed. Deze beoordelingsvrijheid brengt mee dat belanghebbenden, ook indien zij niet de bevoegdheid hebben een verzoek tot het bevelen van een onderzoek in te dienen, over alle aspecten van het (verzoek tot het bevelen van een) onderzoek hun standpunt mogen kenbaar maken, dus niet alleen over de al dan niet toewijsbaarheid van het verzoek, maar ook over de aard en omvang van het eventueel door de ondernemingskamer te bevelen onderzoek, waaronder begrepen de periode waarover het zich moet uitstrekken.4 Als de ondernemingskamer vervolgens van oordeel is dat het verzoek toewijsbaar is, zal zij de omvang van het onderzoek, en daarmee dus eveneens de periode waarover dat zich moet uitstrekken, alsmede van de daartoe noodzakelijke voorzieningen dienen te bepalen. Haar komt daarbij een grote mate van vrijheid toe.’ (rechtsoverweging 4.4). Met deze uitspraak zijn echter niet alle vragen beantwoord. Zo laat de Hoge Raad in het midden hoe streng het connexiteitsvereiste dient te worden uitgelegd. Wat bijvoorbeeld te denken van de beschikking inzake SHGP Tussenholding, waarin de Ondernemingskamer niet alleen een onderzoek gelast bij SHGP Tussenholding (overeenkomstig het verzoek van één van haar aandeelhouders), maar ook (overeenkomstig het in het verweerschrift van onder meer SHGP Tussenholding vervatte tegenverzoek) bij haar 100%-dochter Mo-brass Verzekeringen?5 En kunnen belanghebbenden bij wijze van tegenverzoek ook om onmiddellijke voorzieningen vragen indien de oorspronkelijke verzoeker alleen om een onderzoek heeft gevraagd?
Geerts meent dat de laatste vraag bevestigend moet worden beantwoord.6 Hij constateert dat de Ondernemingskamer in de beschikking van 25 juni 2002 inzake AND International Publishers echter in andere zin heeft beslist en als voorwaarde voor het instellen van een tegenverzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen heeft gesteld dat de oorspronkelijke verzoekers ook een dergelijk verzoek hebben gedaan.7 Geerts merkt op dat niet duidelijk is waarop de Ondernemingskamer deze voorwaarde baseert. Hij meent dat een dergelijke voorwaarde in ieder geval niet voortvloeit uit art. 282 lid 4 Rv.8 Ik kan Geerts wat dit betreft niet goed volgen. De vraag of het verzoek tot het instellen van een onderzoek voor toewijzing in aanmerking komt, is mijns inziens een andere dan de vraag of in verband met de toestand van de vennootschap of in het belang van het onderzoek onmiddellijke voorzieningen vereist zijn: de laatste vraag heeft in termen van art. 282 lid 4 Rv niets van doen met ‘het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek’. Geerts heeft mijns inziens echter wel een sterk punt met zijn concluderende opmerking indien van de juistheid van de beslissing van de Ondernemingskamer wordt uitgegaan: ‘Men dient zich goed te realiseren dat een belangrijk gevolg van de door de OK gestelde eis is dat belanghebbenden die het – anders dan verzoekers tot enquête – wenselijk achten dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen, zich tot de voorlopige voorzieningenrechter moeten wenden. Dat lijkt mij geen goede ontwikkeling en druist in tegen de gedachte van de wetgever, die met de invoering van de onmiddellijke voorzieningen juist meer eenheid van rechtspraak heeft willen creëren.’ Ik merk nog op dat (ook) uit de beschikking inzake Text Lite Holding wellicht een argument kan worden gedistilleerd dat vóór het standpunt van Geerts pleit. Ik doel op de overweging van de Hoge Raad dat het geen bezwaar ontmoet dat de vennootschap dan wel de curator in haar faillissement het verzoek tot kostenverhaal niet bij apart verzoekschrift heeft gedaan, maar in de tweede fase van de procedure heeft geïncorporeerd in het verweerschrift.9 Ons hoogste rechtscollege staat het in deze beschikking derhalve toe dat in het verweerschrift een ‘tegenverzoek’ wordt opgenomen dat geen betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek (om voor recht te verklaren dat van wanbeleid sprake is geweest en voorzieningen te treffen als bedoeld in art. 2: 356 BW). Ik acht het op grond van deze beslissing verdedigbaar dat de Ondernemingskamer eenzelfde soepele houding mag aannemen in geval de oorspronkelijke verzoeker alleen heeft gevraagd om een onderzoek en in het verweerschrift van een belanghebbende tevens een ‘tegenverzoek’ is vervat tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, althans indien de desbetreffende belanghebbende zelf enquêtegerechtigd is. Deze belanghebbende zou immers het ‘connexiteitsprobleem’ kunnen omzeilen door alsnog op de voet van art. 2: 345 lid 1 BW een zelfstandig verzoek te doen tot het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ik ben vanwege het bepaalde in art. 282 lid 4 Rv echter minder zeker wat betreft de belanghebbenden die zelf niet enquêtegerechtigd zijn (denk aan de vennootschap en haar bestuurders en commissarissen). Ik ben dan ook in navolging van Hermans10 van mening dat deze kwestie aandacht verdient in een toekomstige wetgevingsronde.