Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.3.1.1
3.3.1.1 (Wettelijk) uitgangspunt
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS465578:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de vraag wie verzoeken in enquête kunnen indienen uitgebreider Geerts 2004 (hoofdstuk 2).
De HR heeft beslist dat de economisch belanghebbende op certificaten van aandelen gelijk gesteld moet worden met de certificaathouder als bedoeld in art. 2: 346 aanhef en onder b BW: HR 6 juni 2003,NJ 2003, 486, r.o. 3.5.2 (Scheipar, m.nt. Maeijer).
In art. 2: 355 lid 3 BW wordt art. 2: 349a BW van overeenkomstige toepassing verklaard op de tweede fase van de procedure.
HR 1 februari 2002,JOR 2002, 29 (De Vries Robbé Groep, m.nt. Josephus Jitta in JOR 2002, 30).
OK 22 juni 2000,JOR 2000, 173 (De Vries Robbé Groep, m.nt. Josephus Jitta). Zie ook OK 15 november 2001,JOR 2002, 6 (Decidewise International, m.nt. Josephus Jitta).
De HR licht zijn beslissing als volgt toe: ‘Ook het bepaalde in art. 2: 349, inhoudende dat verzoekers tot het houden van een onderzoek niet-ontvankelijk zijn, indien zij de rechtspersoon niet de gelegenheid hebben gegeven zelf de gerezen bezwaren te onderzoeken, wijst erop dat de rechtspersoon niet bevoegd is een verzoek te doen dat betrekking heeft op haarzelf.’ Bovendien: ‘Het ligt ook niet voor de hand aan te nemen dat de wetgever zonder enige aanwijzing in die richting bedoeld heeft dat de rechtspersoon bevoegd is bij de Ondernemingskamer een verzoek te doen tot het instellen van een onderzoek waarvan zij zelf het voorwerp is.’
Mij zijn drie procedures bekend die zijn geëntameerd door ondernemingsraden (op grond van art. 2: 346 aanhef en onder c): OK 1 maart 2005, ARO 2005, 36 (Stichting Kinderopvang Nederland); OK 5 oktober 2005, ARO 2005, 186 (Smit Transformatoren); OK 5 augustus 2008, ARO 2008, 134 (Sijthoff Planetarium en Haags Ruimtetheater).
Ik begeef mij niet in de discussie over de vraag of het wenselijk is dat de vennootschap, de curator in haar faillissement en/of de ondernemingsraad de bevoegdheid zou moeten worden toegekend verzoeken in enquête in te dienen. Ik verwijs hiervoor naar Geerts 2004, p. 85 e.v. Zie over deze materie eveneens SER-Ontwerpadvies Evenwichtig Ondernemingsbestuur 2007.
OK 23 april 1998,JOR 1998, 92 (Village Scaldia, m.nt. Josephus Jitta).
OK 4 november 1999, rekestnr. 562/99 OK (Holding Agrarische Fossilisatie).
OK 20 november 1997,JOR 1998, 25, r.o. 3.5 (De Haan Beheer).
58. In art. 2: 345-347 BW is bepaald wie verzoeken tot het instellen van een onderzoek kunnen indienen.1 Dit zijn wat betreft NV’s en BV’s de advocaat-generaal bij het Gerechtshof Amsterdam om redenen van openbaar belang (art. 2: 345 lid 2 BW), aandeelhouders en certificaathouders die alleen of gezamenlijk ten minste 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen of rechthebbenden zijn op een bedrag van aandelen of certificaten daarvan tot een nominale waarde van € 225 000 of zoveel minder als de statuten bepalen (art. 2: 346, onder b BW)2, degenen aan wie daartoe bij de statuten of bij overeenkomst met de rechtspersoon de bevoegdheid is toegekend (art. 2: 346, onder c BW) en verenigingen van werknemers, mits aan de in art. 2: 347 BW gestelde voorwaarden is voldaan. Deze opsomming van enquêtegerechtigden is eveneens bepalend voor verzoeken tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding (art. 2: 349a lid 2 respectievelijk art. 2: 355 lid 3 BW3) en het treffen van voorzieningen na gebleken wanbeleid (art. 2: 355 lid 1 BW).
59. De Vries Robbé Groep. De Hoge Raad heeft beslist dat de Ondernemingskamer strikt de hand dient te houden aan de in de wet vervatte opsomming van enquêtegerechtigden. Ons hoogste rechtscollege vernietigt in de beschikking inzake De Vries Robbé Groep4 de beslissing van de Ondernemingskamer waarin de vennootschap bevoegd en ontvankelijk is verklaard in haar verzoek tot het doen instellen van een onderzoek bij zichzelf.5 Hij overweegt daartoe dat zowel op grond van de tekst van art. 2: 345 BW als de wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat de bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek alleen toekomt aan degenen aan wie deze bevoegdheid in de wet is verleend: ‘Uit de tekst en de strekking van art. 2: 346 volgt dat de daarin opgenomen opsomming van degenen die bevoegd zijn tot het indienen van een verzoek limitatief is. Uit deze opsomming kan niet worden afgeleid dat deze bevoegdheid verleend is aan de rechtspersoon ten aanzien waarvan het onderzoek zou moeten worden ingesteld.’ De Hoge Raad voegt hier aan toe dat ook het bepaalde in art. 2: 346, onder c BW de vennootschap nimmer soelaas kan bieden: ‘Het zou in strijd zijn met de strekking van art. 2: 346, aanhef en sub c, om tot degenen aan wie daartoe bij statuten of bij overeenkomst de bevoegdheid kan worden toegekend, ook de rechtspersoon die voorwerp moet zijn van het onderzoek, te rekenen.’ (rechtsoverweging 3.3)6
De uitspraak aangaande De Vries Robbé Groep heeft niet alleen consequenties voor de vennootschap zelf, maar bijvoorbeeld ook voor ondernemingsraden7 en de curatoren in het faillissement van een vennootschap.8 Met de overwegingen van de Hoge Raad uit 2002 zijn bijvoorbeeld moeilijk verenigbaar de vóórdien gewezen beschikkingen inzake Village Scaldia9 en HAF10. De Ondernemingskamer heeft de curator in het faillissement van Village Scaldia bevoegd geacht in zijn verzoek voor recht te verklaren dat bij deze vennootschap van wanbeleid is gebleken, terwijl de curatoren in het faillissement van HAF zijn toegelaten in hun verzoek tot het instellen van een onderzoek bij deze vennootschap. Uit deze beschikkingen blijkt overigens opnieuw dat de inzichten van de Ondernemingskamer soms aan verandering onderhevig zijn. In de eerder gewezen beschikking inzake De Haan Beheer overweegt zij namelijk nog: ‘Niet gesteld of gebleken is dat mr Hamm in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de onderscheiden Nederlandse dochters voldoet aan één der in artikel 2: 346 BW gestelde vereisten, zodat hij in zoverre niet ontvankelijk is.’11