Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/8.4.3
8.4.3 Op de grens van de bedrijfs- en privésfeer
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297989:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. gesch. Boek 6, p. 719.
Vgl. Oldenhuis, GS Onrechtmatige daad, art. 6:181, aant. 11. De vraag of de door de zaak veroorzaakte schade in dit geval al dan niet onder art. 6:181 valt, is in die zin niet van praktische betekenis dat de onder-nemer binnen het stelsel van art. 6:181 jo. 6:173, 174 en 179 hoe dan ook met de kwalitatieve aan-sprakelijkheid daarvoor zal zijn belast: het bezit en bedrijfsmatige gebruik van de zaak bevinden zich immers in dezelfde hand. Zie ook par. 4.6.3. Of in een grensgeval aansprakelijkheid bestaat in hoedanigheid van bedrijfsmatige gebruiker of (privé)bezitter heeft wel praktische betekenis gelet op de vraag of dekking kan worden gevonden onder een eventueel door de aansprakelijke persoon afgesloten AVB- (bedrijfsmatig gebruik) of AVP-verzekering (privébezit).
Denkbaar is ook dat het bedrijf niet ‘als’ gebruiker kwalificeert, dan wel niet 'als' bedrijf bij de schadeveroorzaking betrokken wordt geacht. Zie Rb. Rotterdam 18 april 2014, zaaknr. 1338058 CV, (niet gepubl) (Opladen accu), waarin een werknemer van een garagebedrijf zonder medeweten van zijn werkgever een naar het werk meegebrachte accu wilde opladen bestemd voor de elektrische rolstoel van een familielid. Bij deze poging ontplofte de (gebrekkige) accu met letsel bij de werknemer tot gevolg. De werkgever werd vergeefs ex art. 7:658 aangesproken, omdat de schade – ondanks dat deze op de werkplek, tijdens werktijd en met betrokkenheid van hulpmiddelen van de werkgever was ontstaan – niet werd geacht te zijn geleden ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden’ .
Overigens zou ook gezegd kunnen worden dat het koeriersbedrijf op het moment van de schadeveroorzaking niet (meer) ‘als’ gebruiker van de zaak ex art. 6:181 jo. 173 kwalificeerde, dan wel daar niet (meer) ‘als’ bedrijf bij betrokken was.
Zie ook par. 7.7.4.
Een tweede groep afbakeningsgevallen waarbij een beoordeling langs de band van het functioneel verband van art. 6:181 verduidelijkend zou kunnen werken, bestaat naar mijn idee uit schadegevallen met zaken op de grens van de bedrijfs- en privésfeer. Hierbij kan ten eerste worden gedacht aan het gebruik dat in de privésfeer wordt gemaakt van zaken die uit hoofde van zijn functie aan een arbeidskracht door het bedrijf ter beschikking zijn gesteld. Veroorzaakt een dergelijke zaak buiten diensttijd en/of buiten de werkplek schade, dan kan de vraag rijzen of het gebruik van de zaak nog wel in voldoende verband stond met de bedrijfsactiviteiten voor een aansprakelijkheid ex art. 6:181 van de betreffende bedrijfsuitoefenaar. De wetsgeschiedenis van art. 6:170 vermeldt over ‘fouten’ van ondergeschikten in de privésfeer dat deze, bij gebreke van zeggenschap over dergelijke gedragingen, in beginsel niet tot aansprakelijkheid van de opdrachtgever leiden. Gaat het evenwel om foutieve gedragingen die een ondergeschikte buiten diensttijd verricht ‘bij het gebruik van zaken die hem door de onderneming ter beschikking zijn gesteld of dank zij gegevens en bescheiden die hij zich door de dienstbetrekking kon verschaffen’, dan kan het functioneel verband van art. 6:170 juist wél zijn gegeven.1 Bezien we in dit licht het in de privésfeer gebruik maken van hulpzaken van de ex art. 6:181 aangesprokene, dan behoeft in een dergelijk geval de functionele samenhang tussen het gebruik van de zaak en de bedrijfsactiviteiten dus bepaald niet te ontbreken. Wellicht kan hier, gelet op het aspect ‘zeggenschap’, nog betekenis toekomen aan het feit of de ex art. 6:181 aangesprokene met bedoeld gebruik – al dan niet stilzwijgend – heeft ingestemd dan wel dat dit geheel buiten zijn medeweten en/of goedkeuring plaatsvond.
Het spiegelbeeld van het gebruik van bedrijfsmiddelen in de privésfeer wordt gevormd door het gebruik van zaken binnen een bedrijf die zich normaal gesproken in de privésfeer bevinden. Zaken die zijn privébezit zijn maar door een ondernemer toch incidenteel worden aangewend ten behoeve van het bedrijf, zullen eveneens door art. 6:181 worden bestreken.2 Voor zaken uit de privésfeer van diens arbeidskrachten zal in beginsel hetzelfde hebben te gelden zolang het gebruik binnen het bedrijf daarvan met – al dan niet stilzwijgende – instemming van de ondernemer geschiedt. Wanneer een arbeidskracht heimelijk eigen zaken uit de privésfeer binnen het bedrijf gebruikt vanwege persoonlijke motieven, komt het functioneel verband van art. 6:181 onder druk te staan. Het is immers maar de vraag of dergelijke zaken geacht kunnen worden onderdeel van de bedrijfsvoering uit te zijn gaan maken en aldus onder de ‘verantwoordelijkheid’ van de bedrijfsuitoefenaar vallen.3
Een voorbeeld waarin het verband tussen het gebruik van de zaak en de bedrijfsvoering te ver verwijderd is om de aansprakelijkheid ex art. 6:181 te rechtvaardigen, biedt in mijn ogen de dief die zich ’s nachts de toegang tot een afgesloten bedrijventerrein verschaft en een bedrijfsauto van een koeriersbedrijf weet te stelen. Kort na zijn vlucht in de gestolen auto vanaf het bedrijventerrein weigeren de remmen van de bestelbus plotseling dienst, met schade bij een derde tot gevolg. In een dergelijk geval zal geen sprake (meer) zijn van gebruik van de schadeveroorzakende zaak ‘in de uitoefening van’ het koeriersbedrijf ex art. 6:181 jo. 173.4
Voor schadegevallen op de grens van de bedrijfs- en privésfeer kan in relatie tot art. 6:181 ten tweede worden gedacht aan personeelsfeestjes en bedrijfsuitjes. Dit betreffen activiteiten die buiten de ‘eigenlijke’ bedrijfsactiviteiten liggen, maar daar toch niet (volledig) los van gezien kunnen worden. Het is niet uitgesloten dat schade door het gebruik van zaken van de bedrijfsuitoefenaar bij dergelijke gelegenheden door art. 6:181 worden bestreken. Zo ging het in HR 9 november 2007, JA 2008/25 (Groot Kievitsdal) over een werknemer van een hoveniersbedrijf die tijdens een personeelsuitje op zaterdagavond lampolie op de in het partycentrum aanwezige barbecue gooide. Als gevolg hiervan brandde het rietgekapte restaurant tot de grond toe af. Ondanks dat de aard, plaats en het tijdstip van de fout niet in de richting van de werkgever wezen en de fout evenmin was gemaakt met behulp van diens hulpmiddelen, werd een functioneel verband tussen de fout en het werk aangenomen. Hierbij woog mee dat de werkgever een verwijt trof van de door de werknemer gemaakte fout, dat de werkgever en werknemers naar buiten toe als een zekere eenheid optraden, alsmede dat de georganiseerde activiteit ertoe sterkte de motivatie van de werknemers en saamhorigheid binnen het bedrijf te bevorderen. Stel nu dat niet door een ‘fout’ van een werknemer maar door een zaak of dier afkomstig van de werkgever de brand zou zijn ontstaan: een werkgever organiseert voor de werknemers van zijn dierenkliniek een bedrijfsuitje. Naar het restaurant wordt een hond meegebracht die op dat moment in de kliniek verblijft. Het dier weet zich in de loop van de avond aan de macht van zijn begeleider te onttrekken en loopt een olielamp gevuld met lampolie omver, die op de aanwezige barbecue belandt. Nu, voor zover passend bij deze bepaling, ter beoordeling van het functioneel verband van art. 6:181 dezelfde gezichtspunten als in het arrest Groot Kievitsdal een rol kunnen spelen, zou ook de schade tijdens dit personeelsuitje binnen de risicosfeer van de werkgever gebracht kunnen worden (art. 6:181 jo. 179). Weliswaar is van een (sprekend) ‘verwijt’ van de werkgever geen sprake, maar daar staat tegenover dat – in tegenstelling tot in een arrest als Groot Kievitsdal – in gevallen van schade door zaken van de bedrijfsuitoefenaar tijdens personeelsuitjes wél ook zal zijn voldaan aan het gezichtspunt ‘betrokkenheid van hulpmiddelen van de werkgever’.
De mogelijke toepasselijkheid van art. 6:181 op schadeveroorzaking door zaken tijdens bedrijfsuitjes valt ook te illustreren aan de hand van HR 17 april 2009,RvdW 2009/552 (Rollerskate). Hierin nam een werkneemster van een communicatiebureau op vrijdagmiddag na werktijd deel aan een door haar werkgever georganiseerde ontspanningsactiviteit. Het betrof dansen op rolschaatsen in de kantoorhal van de werkgever. De werkgever had de organisatie hiervan uitbesteed aan een evenementenbureau. Kort voordat de eigenlijke workshop was begonnen, kwam de werkneemster op rollerskates ten val. Hoewel het ongeval niet plaatsvond in de uitoefening van de eigenlijke werkzaamheden van de werkneemster (zij had de functie van typiste) ex art. 7:658, werd geoordeeld dat niettemin een voldoende verband bestond tussen de activiteit waarbij het ongeval plaatsvond en haar arbeidsovereenkomst om een op art. 7:611 gegronde zorgplicht van de werkgever aan te nemen (die ook geschonden werd geacht). Wanneer het ongeval zou zijn gebeurd vanwege een (verborgen) gebrek in door haar werkgever ter beschikking gestelde rollerskates, lijkt een aanspraak van de werkneemster jegens haar werkgever eveneens mogelijk, zij het nu ex art. 6:181 jo. 173. Ondanks dat sprake is van schade door een ‘bedrijfsvreemde’ zaak, wijzen gezichtspunten als zeggenschap, de locatie van het gebruik, eenheid, profijt (in de zin van het vergroten van de motivatie en saamhorigheid), gelegenheid en mogelijk ook een verwijt in de richting van een voldoende verband tussen het gebruik van de zaak en de bedrijfsactiviteiten. Zou het ongeval evenwel gelegen zijn in een gebrek in een zaak van het ingeschakelde evenementenbureau, dan ligt aansprakelijkheid van de werkgever/opdrachtgever ex art. 6:181 jo. 173 niet in de rede. Alsdan is immers sprake van een zaak van een ingeschakelde zelfstandige hulppersoon, waarover in beginsel deze laatste en niet diens opdrachtgever de (beslissende) zeggenschap heeft. Dan is geen sprake van het gebruik van de betreffende zaak ‘in de uitoefening van’ het communicatiebedrijf c.q. kwalificeert dit bedrijf niet als de in art. 6:181 bedoelde ‘gebruiker’ van de zaak.5