Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.2.3
IV.3.2.3 De ene vorm van bestuurdersaansprakelijkheid is de andere niet
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460485:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Westenbroek 2017, hoofdstuk 4-7.
Asser/Heerma van Voss 7-V 2020/289. Vegter, in: T&C Burgerlijk Wetboek, art. 7:661 BW. Zie hierover par. IV.3.3.2 onder het kopje ‘aansprakelijkheid op grond van artikel 6:170 BW’. Overigens ligt dit anders in het Belgische recht, waar werknemers beperkt aansprakelijk te stellen zijn door derden en de vennootschap. De ongelijke bescherming tussen (top)managers en bestuurders vormde in België een belangrijke aanleiding om bestuurders aanvullend te beschermen. Waarover Wulf 2018, par. 4.5 en 4.6.
Waarover uitvoerig Westenbroek 2017, p. 334-346.
Verstijlen 2015, p. 323-348.
Aldus ook Westenbroek 2017, par. 5.3.2 en 10.6.2; Karapetian 2019, p. 39-43; Karapetian 2015, p. 215; Verstijlen 2013, p. 668; Van Veen 2016, par. 3.2; Groffen in zijn annotatie bij Hof Leeuwarden, 22 maart 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AV6514, JOR 2006/148; Bartman 2014. Cf. Strik 2010, p. 77 die meent dat bestuurders bij externe aansprakelijkheid dezelfde beleidsvrijheid toekomt als bij interne aansprakelijkheid.
Van Schilfgaarde 2017, p. 492-493. Zie hieromtrent ook wat Kroeze 2013a, p. 146 schrijft over een situatie van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad naar aanleiding van een verkeersongeval.
De persoonlijke toerekening van een onrechtmatige daad komt aan bod in par. IV.5.4.
Lennarts 2018, p. 468.
Op dit punt kom ik terug in par. IV.3.6.3.
Zie hierboven par. IV.2.7.
Westenbroek 2017, p. 508.
Hiervoor heb ik enkele argumenten besproken ter rechtvaardiging van de ernstig verwijt-maatstaf in het kader van interne bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW. Of deze argumenten dragend zijn, is voor discussie vatbaar.1 Deze discussie kan hier verder in het midden blijven. In dit hoofdstuk richt ik me immers niet op de voorwaarden voor 2:9 BW-aansprakelijkheid, maar op die voor een ander type bestuurdersaansprakelijkheid, namelijk de milieuaansprakelijkheid van bestuurders jegens derden op grond van onrechtmatige daad.
Wat wél van belang is in het kader van dit hoofdstuk, is de vraag of de voornoemde argumenten kunnen rechtvaardigen dat de ernstig verwijt-maatstaf ook wordt toegepast in het kader van de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens derden op grond van onrechtmatige daad, of meer specifiek, een onrechtmatige daad in verband met een milieuovertreding van de bestuurder. Zijn deze bestuurdersaansprakelijkheidsvormen voor deze uniformering wel voldoende vergelijkbaar? Ik meen van niet. Om dat te onderbouwen sta ik hierna stil bij een aantal belangrijke verschillen.
Allereerst kan de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf bij externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad niet worden gebaseerd op de regeling die bestaat voor de aansprakelijkheid van de werknemer jegens de rechtspersoon-werkgever die is neergelegd in artikelen 6:170 lid 3 BW en 7:661 BW. De relatie tussen de bestuurder en de rechtspersoon, is immers van heel andere aard dan die tussen de bestuurder en de derde die het slachtoffer is van een onrechtmatige daad. De werkzaamheden van de bestuurder zijn immers niet ten behoeve van de derde (profijttheorie), de derde brengt de bestuurder niet in een situatie waardoor deze door anderen aansprakelijk kan worden gesteld (gevaarzettingstheorie). Voorts is de bestuurder voor zijn inkomen niet financieel afhankelijk van de derde.
Verder, de bescherming die artikelen 6:170 BW en 6:771 BW de werknemer bieden tegen aansprakelijkheid jegens de werkgever-rechtspersoon, strekt zich niet uit tot externe aansprakelijkheid: als de derde op grond van onrechtmatige daad wordt aangesproken door een derde, gelden de gewone vereisten van artikel 6:162 BW.2 Het is dus niet zuiver om de wettelijke bescherming tegen aansprakelijkheid van de bestuurder jegens zijn werkgever uit te breiden naar gevallen waarin de bestuurder wordt aangesproken door een derde.3
Ook de andere rechtvaardigende omstandigheden voor de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in het kader van interne bestuurdersaansprakelijkheid, gaan niet (altijd) op wanneer de bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld jegens een derde.4 De derde jegens wie de bestuurder onrechtmatig handelt, heeft bijvoorbeeld geen belang bij het voorkomen van risicomijdende bestuurders. Verder hebben derden ook geen boodschap aan de beleidsruimte die aan bestuurders toekomt en diens verplichting jegens de vennootschap tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW.5 Wanneer de eiser buiten de vennootschap staat, zoals bij externe bestuurdersaansprakelijkheid het geval is, is er ook geen sprake van een mandaatpositie. Er hoeft zelfs geen sprake te zijn van zelfgekozen betrokkenheid of risicoaanvaarding zijdens eiser.6 Een voorbeeld uit het milieuprivaatrecht kan dit illustreren.
Stel: de bestuurder van een milieu-inrichting waar gevaarlijk afval wordt verwerkt weigert (uit kostenbesparing) de door de vergunning verplicht gestelde emissiefilters te installeren. Omwonenden zullen hiervan gezondheidsschade en andere vormen van vermogensschade kunnen oplopen. In een eventuele aansprakelijkheidsprocedure op grond van onrechtmatige daad die de omwonenden jegens de bestuurder (al dan niet naast de vennootschap) aanspannen, kan aan de eisers niet worden tegengeworpen dat zij op één of andere manier hebben ingestemd met- of belang hebben bij de beslissing om geen emissiefilter te installeren.
Verder is er bij bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad géén sprake van collegiale verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid met de mogelijkheid van individuele disculpatie, maar is vereist dat de bestuurder persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt.7 Ook daarom is een ruimere disculpatiemogelijkheid in de vorm van de ernstig verwijt-maatstaf niet geboden.
Om verder te gaan op het voorgaande voorbeeld: de vordering tot schadevergoeding van de omwonenden jegens een bestuurder, heeft in principe alleen kans van slagen wanneer zij de vordering instellen tegen een bestuurder die kennis heeft van en zeggenschap heeft over het drijven van de milieu-inrichting en de overtreding van het vergunningsvoorschrift, omdat in beginsel alleen deze bestuurder een zorgplicht heeft om de naleving van de vergunningsvoorschriften te bewerkstelligen. Wanneer de vordering wordt ingesteld tegen een niet-bestuurder die nog wel als zodanig is ingeschreven bij de KvK maar zich in de praktijk niet bemoeit met de bedrijfsvoering, dan is de kans klein dat kan worden bewezen dat deze bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld jegens de bewoners en dientengevolge schade heeft veroorzaakt. In dat geval is de schadevergoeding niet toewijsbaar.
Dit laatste argument illustreert ook dat de Hoge Raad de convergentie selectief, of in ieder geval niet volledig heeft doorgevoerd: alleen de hogere aansprakelijkheidsdrempel uit artikel 2:9 BW is overgewaaid naar het algemene aansprakelijkheidsrecht, maar er is geen sprake van een ruimere verantwoordelijkheid voor de gedragingen van medebestuurders. Lennarts merkt op in haar annotatie onder X/TMF dat de uitbreiding van het uitgangspunt van collegiale verantwoordelijkheid/hoofdelijke aansprakelijkheid uit specifieke bepalingen van Boek 2 BW naar de onrechtmatige daad ‘de perken van de rechtsvorming door de rechter (ver) te buiten zou gaan’.8 Ik zou willen betogen dat dit bezwaar ook opgaat tegen het afwijken van de gewone vereisten van de onrechtmatige daad en het transplanteren van de ernstig verwijt-maatstaf.9
Verder breng ik in herinnering dat de brede toepassing van dezelfde maatstaf voor de nodige compatibiliteitsproblemen zorgt in het algemene aansprakelijkheidsrecht.10 Bij de transplantatie van de ernstig verwijt-maatstaf naar de onrechtmatige daad worden verschillende toetsen, elk met een eigen systematiek, normenkader en toepassingsgebied, over elkaar heen geplakt, zonder dat wordt uitgelegd hoe de toetsen zich tot elkaar verhouden. Daardoor is er – afhankelijk van de systematiek die men aanhoudt – sprake van overlappende, en soms zelfs concurrerende of onverenigbare criteria.
Ten slotte is het in dit kader nog relevant om erop te wijzen dat in andere landen de regels omtrent de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap voor een onbehoorlijke taakvervulling, nadrukkelijk worden onderscheiden van de regels die gelden voor de aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van onrechtmatige daad. Westenbroek concludeert na een rechtsvergelijkend onderzoek met het Verenigd Koninkrijk, België en Delaware dat “in geen van de besproken rechtssystemen sprake [is] van normatieve convergentie, integendeel. Het onderscheid tussen de vennootschapsrechtelijke normen (zoals de business judgment rule) en de gemeenrechtelijke normen (‘tort’) wordt benadrukt.”11 De conclusie van Westenbroeks rechtsvergelijkende hoofdstuk illustreert dat de toepassing van dezelfde maatstaf voor interne bestuurdersaansprakelijkheid en externe aansprakelijkheid geen vanzelfsprekendheid is.