De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.11.8:5.11.8 Tentamens in het hoger onderwijs
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.11.8
5.11.8 Tentamens in het hoger onderwijs
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949585:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zij bijvoorbeeld CBHO 31 oktober 2018, 2018/119 en CBHO 17 december 2018, 2018/15.
Artikel 7.13, tweede lid, van de Whw.
CBHO 14 november 2016, 2016/069.
CBHO 7 januari 2015, 2014/173.
CBHO 10 juni 2020, 2019/204.
Zie respectievelijk CBHO 25 februari 2021, 2020/157, CBHO 25 augustus 2021, 2021/096 en CBHO 1 september 2020, 2019/192. Zie hierover ook ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1223.
CBHO 18 juli 2018, 2018/051.
CBHO 15 juni 2016, 2016/080.5.
CBHO 9 juli 2012, 2012/046.
CBHO 8 mei 2019, 2018/191.
CBHO 29 juli 2014, 2014/068.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals beschreven in § 5.7.5 is het tentamen in het hoger onderwijs een besluit in de zin van artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb. Hieruit vloeit voort dat de bestuursrechter niet kan treden in de beoordeling van het tentamen. De bestuursrechter kan enkel onderzoeken of de beoordeling voldoet aan de voorschriften van procedurele aard die bij de Awb, de Whw of enig andere wet in formele zin zijn gesteld.1 Daarnaast kan getoetst worden of de beoordeling is uitgevoerd conform de eigen regels van de instelling.
De examinator heeft zich te houden aan de eigen regels van de instelling. Voor wat betreft tentamens is voornamelijk de onderwijs- en examenregeling (Oer) van belang. Uit de Whw vloeit voort dat op tal van punten in de Oer regels gesteld moeten worden over de wijze waarop wordt getentamineerd.2 In de Oer moet onder meer vastgelegd worden op welke wijze het tentamen wordt afgenomen. De examinator moet vervolgens op deze wijze het tentamen afnemen. In een zaak uit 2016 kende de examinator minder punten toe omdat de betreffende student een aantal keer afwezig was geweest.3 In de Oer was echter bepaald dat het tentamen enkel bestond uit een mondeling of schriftelijk tentamen of een combinatie van beide. Er was daarmee geen ruimte voor de examinator om daarnaast de aanwezigheid van de student te betrekken in zijn beoordeling.
Uit de Whw vloeit tevens voort dat in de Oer vastgelegd moet worden op welk moment de student kennis kan nemen van de vragen en opdrachten van een tentamen en van de bijbehorende beoordelingsnormen.4 Het instellingsbestuur heeft een grote mate van vrijheid om dit nader uit te werken in de Oer. Deze vrijheid gaat echter niet zover dat ervoor gekozen kan worden om niet vóór het afnemen van het tentamen op enigerlei wijze beoordelingsnormen op te stellen. Een tentamen dat is beoordeeld zonder vooraf vastgestelde beoordelingsnormen komt voor vernietiging in aanmerking.5 Het instellingsbestuur moet in de Oer tevens bepalen op welke moment de student de beoordelingsnormen kan inzien. Er kan niet voor gekozen worden om de student niet in de gelegenheid te stellen deze normen in te zien.6 In de praktijk worden de beoordelingsnormen vastgelegd in nadere regels of richtlijnen, een beoordelingsformulier of een antwoordmodel.7 Een dergelijke wijze van beoordeling is in beginsel voldoende zorgvuldig. Uit de beoordelingsnorm hoeft niet precies voort te vloeien welke mogelijke antwoorden juist of onjuist zijn en hoeveel punten in een dergelijk geval wordt toegekend. Bijvoorbeeld bij rechtsgeleerdheid is het ondoenlijk om alle mogelijke antwoorden in het model te zetten.8 Door de veelheid van mogelijke antwoorden hoeft ook niet in alle gevallen per vraag worden aangegeven hoeveel punten wordt toegekend.9 De examinator moet de betreffende beoordelingsnorm wel toepassen, als hij dit strikt doet kan dit hem niet worden aangerekend.10
De beoordeling van een tentamen door één examinator in plaats van door twee examinatoren is niet de facto onzorgvuldig.11 Er is geen rechtsregel op grond waarvan een tentamen zonder meer door twee examinatoren beoordeeld moet worden.12 In het hoger onderwijs komt het evenwel geregeld voor dat een tentamen door meer dan één examinator wordt nagekeken. Hiermee wordt de beoordeling minder afhankelijk van een specifieke docent. Dit versterkt de kwaliteit van de beoordeling en legitimeert richting de student de juistheid van de beoordeling. Hoewel uit de Whw niet voortvloeit dat een tentamen door twee examinatoren moet worden beoordeeld, kan een plicht hiertoe wel voortvloeien uit de regels van de instelling.
Uit het voorgaande blijkt dat de examinator bij de beoordeling is gehouden aan de Whw en de eigen regels van de instelling. De bestuursrechter gebruikt doorgaans het zorgvuldigheidsbeginsel om te bepalen of de beoordeling aan de hierin gestelde eisen van procedurele aard voldoet. Wanneer een examinator in strijd handelt met deze eisen is het tentamen dan ook onzorgvuldig beoordeeld en komt het besluit van het Cbe over dit tentamen voor vernietiging in aanmerking.