Pandrecht op aandelen
Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.5.3:2.5.3 Contractuele beperkingen
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.5.3
2.5.3 Contractuele beperkingen
Documentgegevens:
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706202:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
31. In aandeelhoudersovereenkomsten kunnen bepalingen voorkomen die de verpanding van aandelen beogen te beperken of te verbieden. Zulke bepalingen hebben in de eerste plaats werking tussen de partijen bij deze overeenkomst – verbintenisrechtelijke werking.1 Wanneer een aandeelhouder in strijd met zo’n afspraak zijn aandelen verpandt, dan is hij gehouden de schade die daaruit voortvloeit te vergoeden indien hij door verpanding toerekenbaar is tekortgeschoten (art. 6:74 BW). Verpandingsverboden of andere beperkingen die voortvloeien uit een aandeelhoudersovereenkomst hebben in beginsel geen werking tegenover derden – goederenrechtelijke werking – zoals statutaire beperkingen dat wel kunnen hebben. De afspraken voorkomen in beginsel niet dat een pandrecht tot stand kan komen. Dit is niet anders in het geval dat de pandhouder partij is bij die overeenkomst. De verpandbaarheid van aandelen kan slechts worden beperkt door de statuten van de vennootschap (art. 2:89/198 lid 1 BW).
In een uitzonderlijk geval kan een contractuele beperking of uitsluiting toch indirect goederenrechtelijk effect hebben. Dat kan voorkomen als de statuten de verpandbaarheid onderwerpen aan een besluit. Wanneer een aandeelhoudersovereenkomst over die besluitvorming zo’n regeling zou bevatten, dan zou de schending van die regeling in strijd kunnen zijn met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid. Het besluit is dan vernietigbaar (art. 2:15 lid 1 onderdeel b BW). In de literatuur wordt dit de doorwerking van een aandeelhoudersovereenkomst genoemd. Zulke doorwerking ligt voor de hand als alle aandeelhouders en de vennootschap partij zijn bij deze afspraken.2 Wordt het besluit vernietigd, dan ontbreekt met terugwerkende kracht de statutair vereiste goedkeuring voor verpanding (art. 3:53 lid 1 BW) en is het pandrecht in beginsel niet tot stand gekomen. Artikel 2:16 lid 2 BW biedt daarbij een pandhouder bescherming die het gebrek dat aan het besluit kleefde niet kende noch behoefde te kennen (vgl. art. 3:35 BW).3