Einde inhoudsopgave
RvdW 2006, 563
EHRM, 04-04-2006, nr. 42596/98, nr. 42603/98
EHRM 04-04-2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0404JUD004259698
- Instantie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
- Datum
4 april 2006
- Magistraten
Costa, Baka, Türmen, Jungwiert, Ugrekhelidze, Jočienė, Popović
- Zaaknummer
42596/98
42603/98
- LJN
AY5269
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Internationaal belastingrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:CE:ECHR:2006:0404JUD004259698, Uitspraak, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 04‑04‑2006
- Wetingang
Essentie
Sari en Çolak tegen Turkije.
Schending art. 5 en 8.
Art. 5. Klagers hebben meer dan 7 dagen in voorlopige hechtenis gezeten voordat zij aan een rechter werden voorgeleid. Cfm. Brogan tegen Verenigd Koninkrijk (29 november 1988, serie A no. 145-B) kan deze duur niet worden gerechtvaardigd door de terroristische aard van de verdenking en is art. 5, lid 3, geschonden.
Art. 8, positieve verplichtingen van de staat. Gedurende genoemde periode mochten klagers op geen enkele manier contact hebben met de buitenwereld. De mogelijkheid om snel contact op te kunnen nemen met familie op het moment dat iemand ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.