Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/5.5.2
5.5.2 Nederland
Paul Schoukens & Saskia Montebovi, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Paul Schoukens & Saskia Montebovi
- JCDI
JCDI:ADS288420:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
www.cbs.nl: flexwerk in Nederland en de EU; <https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossier-flexwerk/hoofdcategorieen/flexwerk-in-nederland-en-de-eu>, geraadpleegd op 7 mei 2021.
Art. 29 ZW i.c.m. art. 7:629 BW, waarbij dit laatste artikel geldt voor alle werknemers met een werkgever. De ZW geldt voor de werknemer die geen werkgever (meer) heeft.
De WIA kent verschillende uitkeringsregelingen met ieder hun eigen voorwaarden.
Dit kan gebeuren bij een uitkering van 70% van het laatste inkomen, als dat inkomen al tegen de minimumgrens aanzit.
Klosse & Vonk 2020, p. 333-334.
Zie ook Klosse & Vonk2020, hoofdstuk ‘Re-integratie’.
Indien een zzp’er vrijwillig een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten, geldt soms wel een re-integratieplicht als tegenprestatie bij de uitkering.
Wetboek van werk 2019, p. 31 en p. 36.
Stichting van de Arbeid 2020, p. 18.
Commissie Regulering van werk 2020, p. 55 e.v. en p. 82 e.v.; WRR 2020, p. 173 e.v.
zie o.a. Ter Weel e.a. 2019, p. 2 en p. 8-9; Schoukens 2000, p. 37-292.
Zie voor de evaluatie van de experimenten Participatiewet: CPB 2020 of https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/05/28/evaluatie-experimenten-participatiewet.
Hiervoor werd al eerder gelobbyd door platformondernemers. Zie Houwerzijl2017a, p. 3.
Schoonmaakwerk is een klassieke baan die tegenwoordig ook als platformarbeid wordt aangeboden, via bijvoorbeeld Helpling.
Dit blijkt uit de Jaarplannen UWV 2020 en 2021 (zie www.uwv.nl), alsook uit de UWV-website en bij navraag.
Europese Aanbeveling, 2019/C-387/01, bijvoorbeeld overweging 10 en 11.
Houwerzijl gaf ook al in 2017 aan dat in Nederland de definitie van passende arbeid in de socialezekerheidswetgeving aangepast zou moeten worden als de gig-economie als alternatief voor de ‘traditionele werkgelegenheid’ gaat gelden; zie Houwerzijl2017a, p. 3.
Houwerzijl 2017a, p. 3.
In deze paragraaf gaan we kort in op de verzekeringsloopbaan en gedeeltelijk inkomensverlies, zoals in het algemene deel hierboven, maar nu voor de Nederlandse situatie. Daarna richten we ons uitgebreider op passende arbeid in het kader van platformwerk.
Verzekeringsloopbaan
Binnen Europa onderscheidt Nederland zich door het grote aantal flexwerkers. Tot de flexwerkers worden ook de zzp’ers gerekend.1 Het socialezekerheidsstelsel in Nederland kan afwijkende, atypische en flexibele arbeidsvormen (parttime, oproep, tijdelijk, maar ook zelfstandige arbeid) makkelijk absorberen. Het stelsel is er namelijk op voorzien om premies en uitkeringen pro rata af te stemmen op het gewerkte aantal uren en/of inkomen. Dat betekent dat de verzekeringsloopbaan van een atypische arbeidsrelatie, zoals ook bij platformarbeid, niet in de eerste plaats gehinderd wordt door het afwijkende karakter van de arbeidsrelatie, als wel door het aantal uren dat gewerkt wordt. Hoe minder men werkt, hoe lager de opgebouwde verzekeringsloopbaan zal zijn. Maar periodes van niet-werken kunnen wel leiden tot een te korte referteperiode voor de werkloosheid en dus ook tot geen recht op een ondersteuning vanuit de Werkloosheidswet (WW). De referteperiode vereist namelijk dat er in de afgelopen 36 weken minimaal 26 weken gewerkt moet zijn met minimaal één arbeidsuur per week.2 Een platformwerker (en iedere andere atypische arbeidsrelatie) met een werknemersstatus en met een grillig arbeidspatroon kan daarom, afhankelijk van zijn gewerkte uren in de laatste 36 weken, toch recht hebben op een werkloosheidsuitkering. De minimale duur daarvan is drie maanden en de maximale duur, afhankelijk van de extra jaren werk, is 24 maanden.3 De hoogte van de uitkering is echter niet afhankelijk van zijn arbeidspatroon of verzekeringsloopbaan. Wie voldoet aan de toekenningsvoorwaarden voor de WW, ontvangt namelijk een WW-uitkering van 70% van het laatste inkomen. En ook een zieke werknemer met een onregelmatig patroon heeft recht op een ziekte-uitkering (ZW) of eventueel arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA, na 104 weken en bij minimaal 35% arbeidsongeschiktheid). De hoogte en duur van de ziektewetuitkering is 70% gedurende maximaal 104 weken.4 Voor de langdurige arbeidsongeschiktheid gelden strenge toelatingsvoorwaarden en ook re-integratieplichten, die van invloed kunnen zijn op de duur en de hoogte van de WIA-uitkering.5
Voor de volledigheid merken we hier op dat in Nederland de Toeslagenwet (TW) een belangrijke rol kan spelen voor de werkende wiens uitkering beneden het sociaal minimum uitkomt.6 In dat geval vult de TW de uitkering aan tot aan het sociaal minimum, zodat de uitkeringsgerechtigde geen beroep hoeft te doen op een bijstandsuitkering via de Participatiewet.
Deeltijds inkomensverlies
In de Nederlandse werkloosheidsregeling kan deeltijds inkomensverlies opgevangen worden door een WW-uitkering. Die uitkering kan dus bestaan naast de gedeeltelijke voortzetting van de baan. Cruciaal is een arbeidsurenverlies van minimaal vijf uur per week of voor de kleine parttime banen een verlies van minimaal de helft van de uren.7 Toegepast op platformwerk zou dat betekenen dat een platformwerker met een werknemersstatus en een zeker vast patroon van wekelijkse uren, een gedeeltelijke WW-uitkering kan ontvangen. Hier geldt dus, zoals ook beschreven bij het algemene deel (5.2), wel de nood aan een vast referentiekader in de vorm van een vast aantal uren/werkpatroon. Voor platformwerkers met een zelfstandigenstatuut is er in Nederland geen WW-ondersteuning mogelijk. Wel geldt ook voor de (platform)werknemers de mogelijkheid van een gedeeltelijke WIA-uitkering.8 Eventuele inkomsten door arbeid worden verrekend met de WIA-uitkering, waarbij het motto ‘werken loont’ door de Nederlandse wetgever ook hier stevig geïncorporeerd is.
Passende arbeid
De sociale zekerheid kent naast de uitkeringsfunctie ook een preventieve en re-integratiefunctie.9 In Nederland wordt die re-integratiefunctie vooral ingevuld aan de hand van het concept ‘passende arbeid’. Langdurige uitkeringsafhankelijkheid moet namelijk zoveel mogelijk worden voorkomen en dus wordt van mensen in uitkeringssituaties verwacht dat zij zich zo snel mogelijk weer via eigen of passende arbeid losmaken van de uitkering. Deze re-integratie- of activeringspolitiek is verweven in de uitkeringsvoorwaarden bij ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en bijstand.10 Samen met een werkgever, uitkeringsinstantie, gemeente of re-integratiebedrijf wordt bepaald wat in een bepaalde situatie voor die bepaalde werknemer of uitkeringsgerechtigde passende arbeid kan zijn.11 Wie zich niet of niet voldoende inspant voor de passende arbeid, en daar onvoldoende reden toe heeft, wordt gesanctioneerd door een gedeeltelijke of gehele weigering, tijdelijk of permanent.12 Voor platformwerkers echter is dit systeem van activering en passende arbeid nog niet vormgegeven, net zoals dat voor de meeste zzp’ers niet geldt.13
Hoe verhouden platformwerk en passende arbeid zich dan tot elkaar? Concrete wetgeving omtrent passende arbeid ontbreekt dus nog voor de platformwerker en/of zzp’er. Wel zijn er voorstellen gedaan om re-integratie te integreren in Nederlandse wetgeving omtrent zzp’ers en werkenden (als verzamelterm voor alle personen die arbeiden, onafhankelijk van hun overeenkomst). Een eerste voorbeeld hiervan is in het Wetboek van Werk verwerkt. Daar wordt voorgesteld om zowel bij onvrijwillig werkverlies als arbeidsongeschiktheid voor alle werkenden in te zetten op een goed sociaal vangnet en ondersteuning bij nieuw en duurzaam werk, via re-integratie door de regionale Werkhub en private verzekeraars.14 Een tweede voorbeeld van re-integratie voor de zzp’er is terug te vinden in het voorstel van de Stichting van de Arbeid (StvdA) waarbij gepleit wordt voor een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering. De bijhorende re-integratie zou daarbij snel ingezet moeten worden door het UWV en een nieuw op te richten Arbocentrum voor zelfstandigen.15 Een derde en vierde voorstel zijn zichtbaar in het rapport van de Commissie Regulering van werk en de WRR.16
Deze voorbeelden geven aan dat meer publieke sociale zekerheid voor zzp’ers steeds meer ondersteund wordt. Dat kan op korte termijn door een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (specifiek nog voor de zzp’ers, zie het voorstel van de StvdA) en op lange termijn door een inclusief arbeidsvormneutraal stelsel dat geldt voor alle werkenden. Ook wij zijn voorstanders van meer arbeidsvormneutrale sociale zekerheid waarbij alle werkenden verzekerd zijn en waarbij ook nog varianten in de verzekeringsvoorwaarden ingebouwd kunnen worden. De hoogte of duur van een uitkering zouden bijvoorbeeld kunnen verschillen naar gelang de werknemer- of zelfstandigenstatus, en opting-in en opting-out zijn ook instrumenten die variatie in het socialeverzekeringsstelsel kunnen behouden.17
Interessant is nu te kijken of en hoe passende arbeid en re-integratie niet enkel voor zzp’ers, maar juist ook voor platformwerkers zouden kunnen gelden. Is platformwerk, met andere woorden, als passende arbeid aan te merken in situaties van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid? Kan een uitkeringsgerechtigde dus verplicht worden om ook werk te zoeken als platformwerker? Een pasklaar antwoord op deze vragen, is nog niet geformuleerd. Wij willen hier een richting aangeven aan de hand van onze zes gezichtspunten.
Ons eerste standpunt is dat platformwerk nog steeds geen groot aandeel op de arbeidsmarkt inneemt waardoor het belang ervan als ‘passend werk voor iedereen’ niet overschat moet worden. Ten tweede zou het UWV (of de toekomstige Regionale Werkhub) ook kunnen experimenteren met het aanbieden van platformwerk als passende arbeid voor (bepaalde groepen) uitkeringsgerechtigden. Die experimenteermogelijkheden zijn opgenomen in (sommige) wetten.18 Bovendien is voor de bijstand door zes steden al gebruikgemaakt van deze experimenteerbevoegdheid en kunnen zowel de best practices als de minder geslaagde elementen daarvan meegenomen worden in het uitwerken en ontwerpen van eventuele experimentwetgeving voor platformwerk.19 Ten derde kan platformwerk voor sommige uitkeringsgerechtigden juist als een vliegwiel naar meer en ander werk functioneren en zo de eerste stap zijn om via deze vorm van arbeid terug de arbeidsmarkt te betreden en minder afhankelijk te blijven van de uitkering.
Ten vierde, het UWV of re-integratiebedrijf houdt – ook in de huidige situatie – rekening met de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigden en stemt daar de ondersteuning en arbeidsinschakeling op af. Waarom zou dat anders of onmogelijk zijn met platformwerk? Waarom zou het in de nabije toekomst niet kunnen voorkomen dat een uitkeringsgerechtigde via het UWV werk aangeboden krijgt dat passend is en toevallig ook nog in de vorm van platformwerk?20 We realiseren ons dat hier – met de huidige stand van wetgeving en beleid – frictie zit tussen het meer vrijwillige karakter van platformwerk (ik werk wanneer ik wil en tijd heb) en het meer verplichte karakter van een ‘klassieke’ baan (ik werk op tijdstippen die de werkgever aangeeft). Als platformwerk ook als re-integratiemiddel ingezet wordt, is dit een heikel punt dat verdere aandacht behoeft. Zo zal verder uitgewerkt moeten worden hoe de relatie tussen platformwerk en verplichte re-integratie passend kan zijn en of en hoe dat voor meer socialezekerheidsbescherming zorgt (zie ook de volgende opmerkingen).
Ten vijfde, in sommige gevallen is de stap naar platformwerk wellicht helemaal niet zo groot als nu soms gedacht wordt. Ook nu kunnen werklozen bijvoorbeeld werk zien of aangeboden krijgen dat vanuit huis kan en een grote mate van zelfstandigheid kent (creatieve sector) of juist niet (callcenter, vertalingswerk). Wij stellen ons hierbij de vraag in hoeverre dat in feite nog verschilt van sommige vormen van platformwerk? Onder de parapluterm ‘platformwerk’ kunnen namelijk zoveel soorten werk worden opgevangen dat sommige banen wel erg dicht bij een ‘klassieke’ baan liggen (zoals van een schoonmaker21). Dus misschien is de stap van passend werk op de klassieke arbeidsmarkt naar passend werk in een platformbaan niet zo groot als soms gedacht wordt. Wel merken we op dat het UWV zich op dit moment nog niet richt op dit soort vragen en ontwikkelingen in de arbeidsmarkt.22 En zolang platformwerk in die zin nog niet is geaccepteerd door het UWV en de overheid, blijven afwijkende vormen van arbeid, zoals oproeparbeid en platformwerk, moeilijk inpasbaar in de arbeidsbemiddelings- en uitkeringssystemen, en zal bijgevolg de stap naar passend werk in een platformbaan voorlopig dus nog te groot zijn.
Een delicaat punt bij het aanvaarden van platformwerk (en oproeparbeid) in ons arbeidsbemiddelingssysteem en uitkeringssysteem is de kwaliteit van het werk. Zoals bekend draagt platformwerk het gevaar in zich dat het vaak niet van dezelfde kwaliteit is als een ‘klassieke’ of ‘gewone’ baan. De inzet van platformbanen als passende arbeid bij werkloosheid of arbeidsongeschiktheid kan daarom wel een probleem zijn, zeker gezien de Europese Aanbeveling met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen van november 2019.23 Dit spanningsveld tussen platformarbeid en de Europese Aanbeveling kan echter opgelost worden door aangepaste wetgeving en beleid.24 Daarbij zou platformarbeid als volwaardige arbeid moeten worden gekwalificeerd die leidt tot volwaardige socialezekerheidsbescherming. Met volwaardige socialezekerheidsbescherming bedoelen we hier een bescherming die geldt vanaf de eerste euro die wordt verdiend en die geldt, omdat ook platformbanen als volwaardige banen gelden. Dat veronderstelt van overheidswege het erkennen van ‘stapelbanen’ alsook het accepteren dat (steeds meer) werkenden ook uitkeringen nodig hebben in combinatie met hun werk dat onvoldoende kan voorzien in inkomen en zekerheid.25
Ten zesde, stel dat platformwerk als passende arbeid aanvaard wordt, hoever reikt die verplichting tot acceptatie van platformwerk? Kan met andere woorden de uitkeringsgerechtigde die weigert te gaan rijden voor bijvoorbeeld een platform gesanctioneerd worden en met welke sanctie? Het antwoord hierop zouden wij nog niet meteen in steen willen beitelen, maar laten afhangen van wat de experimenten (zie tweede punt in deze alinea) uitwijzen.
Kort samengevat, passende arbeid en platformwerk zijn nog niet in wet- of regelgeving aan elkaar verbonden, maar via experimenten zou kunnen onderzocht worden in hoeverre platformwerk als passende arbeid voor welke uitkeringsgerechtigden vorm kan krijgen.