De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.6.2.1:6.6.2.1 School- of overheidsexamen
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.6.2.1
6.6.2.1 School- of overheidsexamen
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949685:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In alle onderwijssectoren bestaat het examen, in elk geval deels, uit een door het bevoegd gezag of de leraar vormgegeven examen. De keuze van de wetgever voor het schoolexamen komt doorgaans voort uit het idee dat degene die het onderwijs heeft vormgegeven eveneens het examen dient vorm te geven waarmee getoetst wordt of de leerling de met het onderwijs beoogde doelen heeft bereikt. Een ander motief voor het schoolexamen is dat de leerling geëxamineerd dient te worden door de leraar waarmee hij vertrouwd is en dat de leraar die bekend is met de leerling het best kan inschatten over welke kennis, inzicht en vaardigheden deze leerling beschikt.
In alle onderwijssectoren, behalve het hoger onderwijs, bestaat het examen deels uit een door de overheid vormgegeven examen. De keuze voor een dergelijk examen geeft de overheid de mogelijkheid om te sturen in de kennis, inzicht en vaardigheden waarover een afgestudeerde via het genoten onderwijs dient te beschikken. Het af te leggen examen heeft immers invloed op het onderwijs dat door de school wordt gegeven ter voorbereiding op het examen: het onderwijs wordt aangepast om op te leiden tot de kennis, het inzicht en de vaardigheden die nodig zijn om uiteindelijk te slagen voor het examen. Dit brengt wel het risico met zich mee dat het onderwijs te veel op het examen wordt gericht, waardoor andere aspecten van het onderwijs - die niet worden geëxamineerd - in de verdrukking kunnen komen, zoals de algemene vorming van de leerling.
Een door de overheid vormgegeven examen draagt er daarnaast aan bij dat alle afgestudeerden minstens over dezelfde kennis, inzicht en vaardigheden beschikken over de vakken die van overheidswege zijn geëxamineerd. Deze uniforme mate van minimum kennis, inzicht en vaardigheden is onder andere van belang voor de scholen waar de leerlingen naar doorstromen na het afleggen van het examen. Het vervolgonderwijs kan voortbouwen op de kennis, inzicht en vaardigheden die van elke leerling verwacht mag worden.
Ten slotte borgt een door de overheid vormgegeven examen het civiel effect dat aan een diploma is verbonden. Het civiel effect van een diploma kan verschillende vormen aannemen zoals de maatschappelijke waarde van het diploma of een bepaald rechtsgevolg zoals het mogen doorstromen naar een andere vorm van onderwijs of het mogen uitoefenen van een bepaald beroep. Doordat de overheid zelf (deels) het examen vormgeeft, kan zij ook zelf bepalen of de leerling over de juiste mate van kennis, inzicht en vaardigheden beschikt om voor een diploma met civiel effect in aanmerking te komen. In het hoger onderwijs heeft de wetgever evenwel niet voor een centraal examen gekozen. In die sector bepaalt het bevoegd gezag of aan de student een diploma met civiel effect verstrekt wordt.