Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/8.2.3
8.2.3 Het strafrecht als rechtsbron
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940647:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin: Belhaj in haar noot bij HR 29 mei 2015, FED 2015/69. Zie ook Feteris 2007, p. 337.
HR 17 augustus 1998, BNB 1998/329, HR 22 september 1999, BNB 2000/122. Zie voorts paragraaf 6.4.
Zie paragraaf 9.3.1.
Toen de Hoge Raad op dit punt om ging, greep hij terug op een oud strafrechtelijk arrest (het IJzerdraadarrest), zie HR 1 december 2006, BNB 2007/151, V-N 2006/62.4. Zie voorts paragraaf 9.3.4.
Zie paragraaf 14.4.4.1.
Zie paragraaf 9.4.16.
Zie paragraaf 9.3.4 en paragraaf 6.5.
Zie paragraaf 9.4.6, paragraaf 9.4.8, paragraaf 9.4.9 en paragraaf 11.2.
Zie paragraaf 9.4.1 en paragraaf 9.4.3.
Zie paragraaf 10.2 (in het bijzonder paragraaf 10.2.4).
HR 18 november 1992, BNB 1993/40, FED 1993/143 (r.o. 3.5), HR 31 januari 1990, BNB 1990/93, HR 7 september 1988, BNB 1988/298, FED 1988/715, HR 19 juni 1985, BNB 1986/29. Zie ook HR 4 november 2016, V-N 2016/59.10, waarin de boeteling een poging deed om de materiële gelijkschakeling van het fiscale boeterecht met het strafrecht conform het EVRM in te lezen in een bijzondere bepaling uit het belastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika, die evenwel alleen op ‘echte’ strafprocedures zag en dus volgens de Hoge Raad niet op boetezaken.
Zie paragraaf 8.2.2.1. Eveneens instemmend: De Bont in zijn noot bij HR 28 maart 2014, BNB 2014/194.
Zie daarover nader paragraaf 4.2.5.
Zie paragraaf 11.4.
Het strafrecht is in de rechtsontwikkeling van het bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken voortdurend een belangrijke inspiratiebron geweest. Voor een deel is die rechtsontwikkeling verlopen langs de lijnen van art. 6 EVRM (omdat de fiscale bestuurlijke boete een criminal charge behelst). In aanvulling daarop hebben klassieke strafrechtelijke beginselen echter ook steeds een grote rol gespeeld.1 Het gaat bijvoorbeeld om:
de uitleg van de schuldgradaties opzet en grove schuld;2
de omstandigheid dat de onschuldpresumptie zich uitstrekt tot alle elementen van de delictsomschrijving;3
de erkenning van het hoogstpersoonlijke karakter van het verwijt, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in het verbod op toerekening van verwijtbaarheid;4
het in aanmerking nemen van alle (persoonlijke) omstandigheden van de boeteling bij het ‘passend en geboden’-oordeel van de rechter;5
het vervallen van de boete bij overlijden;6
de uitbreiding van het daderschap en deelneming naar de figuren van de opdrachtgever, de feitelijk leidinggever, alsmede de medepleger, doen pleger, uitlokker en medeplichtige;7
de toepassing van het ne bis in idem-, una via- en nemo tenetur-beginsel;8
verschillende uit het strafrecht geïmporteerde strafuitsluitingsgronden, waaronder de buitenwettelijke schulduitsluitingsgrond AVAS;9
de wijze waarop voor het bewijs gebruik mag worden gemaakt van vermoedens, in het bijzonder als die worden ontleend aan het zwijgen van de verdachte.10
Dit alles laat onverlet dat de Hoge Raad herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het positieve, nationale strafrecht als zodanig (waaronder in het bijzonder het Wetboek van Strafvordering) niet van overeenkomstige toepassing is op de fiscale bestuurlijke boete.11 Dat is naar mijn mening ook terecht, nu het EHRM aanzienlijke vrijheid aan de verdragsstaten heeft gelaten bij de inrichting van hun nationale wet- en regelgeving.12 Het gaat er uiteindelijk om of die nationale wet- en regelgeving voorziet in een ‘fair hearing’ zoals bedoeld in art. 6 EVRM. Dat die fair hearing er in ‘echte’ strafzaken anders uit ziet dan in fiscale bestuurlijke boetezaken maakt op zichzelf niet uit. Voor het bewijsrecht betekent het voorgaande bijvoorbeeld dat de tamelijk strikte strafvorderlijke regels omtrent de wettige bewijsmiddelen en bewijsminima in het geheel niet gelden voor de fiscale bestuurlijke boete.13 Ook is strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs om die reden niet per definitie ook fiscaalboeterechtelijk onrechtmatig.14