Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.5.2
3.5.2 Vervroegd opschorten door te anticiperen op niet-nakoming van de vordering
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950300:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over dit artikel uitvoerig Asser/Sieburgh 6-I 2020/410-413.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 280 en 282, alwaar dit gevolg wordt verondersteld. Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/27; Klomp 2019d, p. 185; Dammingh & Klomp 2014, p. 34 en Rb. Noord-Holland 18 mei 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:4356, r.o. 5.5. Vgl. voorts Asser/Sieburgh 6-I 2020/413, die evenwel in het kader van ‘het opschortingsrecht’ als gevolg van de niet-nakoming voor opeisbaarheid alleen de enac en de onzekerheidsexceptie behandelt.
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/27; Asser/Sieburgh 6-I 2020/272; Klomp 2019d, p. 185 en Dammingh & Klomp 2014, p. 34.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 280 (“Inderdaad bedoelt het artikel het terrein waarop het van toepassing zal zijn met de bepalingen onder a, b en c volledig af te bakenen.”).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 276.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/27 betoogt dat een schuldenaar in een situatie als bedoeld in art. 6:80 lid 1 en onderdeel a BW in het geheel geen algemene opschortingsbevoegdheid heeft vanwege art. 6:54 aanhef en onderdeel b BW. Evenzo De Jong, Niet-nakoming van verbintenissen (Mon. BW nr. B33) 2017/42.1. Zie over art. 6:54 aanhef en onder b BW § 3.4.6.
GEA van Aruba (vzr.) 13 november 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:767, r.o. 3.9.
Voor een fatale datum is niet een kalenderdatum vereist. Bijv. een termijn ‘voordat het regen- en orkaanseizoen zou starten’ kan onvoldoende bepaald zijn (HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3144, RvdW 2018/42, r.o. 3.2.3 en 3.7) en ‘levering op een zodanig tijdstip dat de pootaardappelen zo vroeg in het seizoen gepoot konden worden dat zij voldoende tijd zouden hebben om een normaal te verwachten volwaardige opbrengst te realiseren’ kan voldoende bepaald zijn (HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9348, NJ 2010/83, m.nt. Jac. Hijma (Moerings/Mol), r.o. 3.3.3).
Vgl. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6 en Asser/Sieburgh 6-I 2020/411.
Hof Amsterdam 19 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3152, r.o. 4.26-4.28. Zie bijv. ook Rb. Noord-Nederland 20 april 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1604, r.o. 5.11.
In deze weergave van het artikelonderdeel is de terminologie aangepast naar de positie van schuldenaar en wederpartij als bedoeld in art. 6:52 lid 1 BW. Zie ook de in art. 6:263 BW geregelde onzekerheidsexceptie. Zie daarover Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/29; Asser/Sieburgh 6-III 2022/716; Asser/Sieburgh 6-I 2020/413 en Asser/Hijma 7-I 2019/571.
Rb. Amsterdam (vzr.) 25 januari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ1993, r.o. 14-18.
Rb. Noord-Holland 18 mei 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:4356, r.o. 5.5.
Een andere uitzondering op het uitgangspunt dat voor opschortingsbevoegdheid ex artikel 6:52 lid 1 BW een opeisbare vordering is vereist, volgt uit artikel 6:80 BW (‘anticipatorybreach’). Dit artikel bepaalt dat in de drie daarin genoemde gevallen de gevolgen van niet-nakoming reeds intreden voordat de vordering opeisbaar is.1 Een van de gevolgen van niet-nakoming is het vervroegd mogen inroepen van een opschortingsrecht.2 Ondanks de afwezigheid van een opeisbare vordering, is de schuldenaar bevoegd de nakoming van zijn verbintenis uit te stellen totdat voldoening van die vordering plaatsvindt.3 De in artikel 6:80 BW genoemde gevallen zijn limitatief bedoeld.4
Het eerste geval waarin de gevolgen van de niet-nakoming kunnen intreden voordat de vordering opeisbaar is, is dat waarin vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn (artikel 6:80 lid 1 en onderdeel a BW). Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever hierbij het oog op de gedeeltelijke, tijdelijke en blijvende onmogelijkheid van nakoming.5 In de gevallen van blijvende onmogelijkheid kan de schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis niet vervroegd opschorten, omdat artikel 6:54 aanhef en onderdeel b BW daaraan in de weg staat.6 Een geval waarin de rechter een opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:80 lid 1 onderdeel a BW in verbinding met artikel 6:52 lid 1 BW honoreerde, omdat kennelijk sprake was van een tijdelijke onmogelijkheid van nakoming, deed zich voor in een situatie waarin de wederpartij tekort zou gaan schieten in de nakoming van haar verplichting om na afronding van de bouw dertien appartementen over te dragen aan de schuldenaar, omdat in de erfpachtvoorwaarden was bepaald dat deze appartementen gedurende drie jaren na afronding van de bouw daarvan niet in eigendom mochten worden overgedragen. De schuldenaar schortte in verband daarmee zijn betalingsverplichtingen vervroegd op.7 Wanneer ‘na afronding van de bouw’ zou kwalificeren als een fatale termijn, zou evenwel sprake kunnen zijn van een blijvend onmogelijke nakoming.8
Het tweede geval waarin de gevolgen van de niet-nakoming kunnen intreden voordat de vordering opeisbaar is, is dat waarin de schuldenaar uit een mededeling van de wederpartij moet afleiden dat deze in de nakoming zal tekortschieten (artikel 6:80 lid 1 en onderdeel b BW).9 Daarvan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als de wederpartij zich ten onrechte – en vanwege de niet-opeisbaarheid onnodig – beroept op een opschortingsrecht ten aanzien van haar verbintenis jegens haar schuldenaar.10 Het aanbieden van hotelkamers tegen prijzen die hoger zijn dan marktconforme prijzen, terwijl de verbintenis van de hotelexploitant inhield dat deze hotelkamers tegen marktconforme prijzen ter beschikking moest stellen aan de reisorganisator, kon naar het oordeel van het hof niet gelden als mededeling als bedoeld in artikel 6:80 lid 1 onderdeel b BW, zodat de reisorganisator niet bevoegd was de betaling van facturen van de hotelexploitant vervroegd op te schorten.11
Het derde geval waarin de gevolgen van de niet-nakoming kunnen intreden voordat de vordering opeisbaar is, is dat waarin de schuldenaar goede gronden heeft te vrezen dat de wederpartij in de nakoming zal tekortschieten en deze niet voldoet aan een schriftelijke aanmaning met opgave van die gronden om zich binnen een bij die aanmaning gestelde redelijke termijn bereid te verklaren zijn verplichtingen na te komen (art. 6:80 lid 1 onderdeel c BW).12 Daarvan kan sprake zijn als de wederpartij-verhuurder herhaaldelijk niet reageert op een vraag van de schuldenaar-huurder naar de hoogte van een overnameprijs in verband met een nog niet opeisbare vordering tot verkoop van trailers aan de huurder, in verband waarmee de huurder haar verplichting tot betaling van de huur vervolgens opschort.13 Een beroep op artikel 6:80 lid 1 onderdeel c BW in verbinding met artikel 6:52 lid 1 BW kan worden afgewezen als de in onderdeel c vereiste aanmaning ontbreekt.14